F.E.N. Nederland

De overkoepelende organisatie voor Carnaval vierend Nederland

Artikelen

De geschiedenis van het verschijnsel "Carnaval"

Inleidend.

Wanneer men ergens het woord Carnaval laat vallen, weet bijna iedereen meteen waarover het gaat. Tenminste hetgeen het woord "Carnaval" binnen ons dagelijks gebruik te betekenen heeft. Er zijn er slechts weinig die enig idee hebben omtrent de precieze betekenis van dit jaarlijks terugkerend volksfeest, hetzij aangaande de oorsprong ervan, of hetgeen er zich eigenlijk allemaal achter de coulissen van dit feestelijk gebeuren afspeelt. In deze rubriek trachten wij enerzijds een bondige verklaring te geven omtrent een aantal begrippen, uitdrukkingen, gebruiken, of woorden die je vrij regelmatig in het Carnavalsgebeuren kan tegenkomen, en anderzijds een beperkte omschrijving te geven omtrent de organisatorische motor achter dit fenomeen.

De samenstelling ervan gebeurde dank zij de medewerking van de Heer Theo Franssen uit Venlo, een groot Carnavalkenner, en tevens auteur van meerdere werken over Carnaval. Werken die wij met zijn toestemming hebben mogen raadplegen, waarvoor we hem erg dankbaar zijn. Wij zijn er ons echter bewust van dat de hierna volgende lijst niet volledig is, en dat wij beslist een aantal begrippen of plaatselijke gebruiken, uit pure onwetendheid, niet vermeld hebben. Wij zouden het derhalve op prijs stellen dat men ons hieromtrent zou informeren, teneinde ons toe te laten dit toch wel boeiende vademecum verder te vervolledigen. Een vademecum waarin het verschijnsel Carnaval voor zowel de georganiseerde Carnavalist als de gewone man uit de straat, die Carnaval misschien op een passieve wijze ondergaat, ongetwijfeld heel wat boeiend leesgenot zal vinden.

De hieronder geplaatste info bevat best wel veel hoofdstukken met veel interessante gegevens, het een iets langer dan het ander, maar ik ben er van overtuigt dat wat u belangrijk of interessant acht zult vinden.


Hoofdstuk 1, Oorsprong.
Hoofdstuk 2, Benaming.
Hoofdstuk 3, Blauwe schuit.
Hoofdstuk 4, Alaaf.
Hoofdstuk 5, Buut.
Hoofdstuk 6, Buutte onderwijs.
Hoofdstuk 7, Carnavalschlager.
Hoofdstuk 8, Carnavalsgroet.
Hoofdstuk 9, Carnavalsviering.
Hoofdstuk 10, Carnavalsorganisatie.
Hoofdstuk 11, Carnavalseizoen.
Hoofdstuk 12, Carnavalsdans.
Hoofdstuk 13, Ceremoniemeester.
Hoofdstuk 14, Dansmarietjes en Dansgroepen.
Hoofdstuk 15, Elf, narregetal of een magisch getal.
Hoofdstuk 16, Foekepot.
Hoofdstuk 17, Grabbels.
Hoofdstuk 18, Masker.
Hoofdstuk 19, Maskerade en Grimeren.
Hoofdstuk 20, Benamingen.
Hoofdstuk 21, Onderscheidingen.
Hoofdstuk 22, Optochten.
Hoofdstuk 23, Pluimen.
Hoofdstuk 24, Prins, Prinses...
Hoofdstuk 25, Prinsengarde.
Hoofdstuk 26, Proclamatie.
Hoofdstuk 27, Raad van Elf.
Hoofdstuk 28, Spietslaufen.
Hoofdstuk 29, Titels.
Hoofdstuk 30, Verenigingen.
Hoofdstuk 31, Vrouwencarnaval.
Hoofdstuk 32, Vrouwenluiverkoop.
Hoofdstuk 33, Wagenbouw.
Hoofdstuk 34, Zaat Heremenieke.
Hoofdstuk 35, Zingend langs de deur.
Hoofdstuk 36, Carnavalkleuren.
Hoofdstuk 37, De Nar.



Hoofdstuk 1, Oorsprong.

Niet alle historici en volkskundige die zich met het verschijnsel Carnaval of Vastenavond bezig houden delen dezelfde mening over de oorsprong ervan. Sommigen blijven er bij dat het feest niet ontstaan is voor het jaar 1000, doch echter zijn wortels vindt in het christendom. Het ontstaan van de uitdrukkingen Carnaval en Vastenavond zijn daarvoor het voornaamste argument. Daarenboven vinden zij dat er onvoldoende bewijzen zijn die een link leggen of een relatie aantonen met de tradities uit de vroegere tijden. Anderen gaan er dan weer vanuit dat het toch niet "toevallig" kan zijn dat in de loop der eeuwen steeds weer dezelfde feesten omstreeks dezelfde tijd van het jaar terug te vinden zijn.

Maar goed, je mag er zeker van zijn dat de echte hedendaagse Carnavalist, eigenlijk weinig of geen interesse heeft over de precieze oorsprong van het Carnaval. Waar het om gaat is dat Carnaval ons de gelegenheid biedt om eenmaal per jaar een beetje "anders" te zijn. Precies deze redenering zet er ons dan ook toe aan te beweren dat Carnaval net zolang als de mens bestaat.

Feit is dat Carnaval vanuit zijn oervorm wel altijd in verband heeft gestaan met een "feest" waarin het sterven en herrijzen van de natuur bij het begin van het jaar in een groot magisch of religieus spel wordt nagebootst in de hoop dat de lente weer spoedig zal aanbreken.

Gedaan met de donkere winter vol boze geesten. De tijd om zich klaar te maken voor een nieuwe vruchtbare periode is aangebroken, het vruchtbaarheidsritueel waarbij leven en sterven elkaar in een natuurlijk ritme opvolgen. Hieruit is ongetwijfeld ook de feestcyclus ontstaan die aanvang neemt op 11 november, precies 40 dagen voor Kerstmis, te vroegste eindigt op 1 februari en nooit later zal vallen dan 7 maart.

Men organiseerde satire- en spotfeesten waarbij men hoofdzakelijk de geesten dankte of smeekte om een rijke en vruchtbare oogst. Een verschijnsel dat gemakkelijk te verklaren is door het feit dat de primitieve volkeren erg afhankelijk en verbonden waren met de natuurelementen. Deze feestviering is trouwens terug te vinden bij alle lagen van de bevolking, dus zowel bij de minst ontwikkelde als bij de meest hoogstaande volkeren. Het standenverschil werd even opgeheven, zodat elkeen zowel slaaf, als dienaar samen met de koning op voet van gelijkheid kon deelnemen aan het feestgebeuren. Een feestgebeuren dat trouwens ook steeds gepaard is gegaan met redevoeringen en rijkelijk gevulde feesttafels. Redevoeringen tijdens die "de waarheid" kon gezegd worden in aanwezigheid van de koning. Allemaal kenmerken die nu nog steeds, onder nagenoeg dezelfde vorm terug te vinden zijn bij onze Carnavalszittingen.

Men mag dus aannemen dat deze feestelijkheden die door de Romeinen in onze streken gehouden werden de schakel zijn tussen de primitieve lentefeesten en onze hedendaagse Carnavalsviering. Hoewel, ook onze eigen volkeren vooral de Germanen de Galliërs als de Kelten kenden reeds verwante gebruiken die met de zonnewende en de vruchtbaarheid te maken hadden. De Germanen vierden in het Julfeest, de geboorte van de zon. Centraal stond daarin de vruchtbaarheidsgodin Nerthus. Het beeld van de god Frey werd op een schip op wielen begeleid door een vrolijke stoet personen in diervermomming en mannen gehuld in vrouwenkleren. Aan boord van het schip vond het huwelijk plaats tussen de god Frey en een priesteres.

Bij de Kelten stond alles in het teken van het Samhein-feest, tijdens welke men brandende wielen van de berghellingen liet rollen Men probeerde blijkbaar op die wijze symbolisch de zon in de akker te begraven en aldus de vruchtbaarheid veilig te stellen. Een gebruik dat nu nog steeds op sommige plaatsen in Duitsland terug te vinden is. Naarmate de greep van het christendom op de Europese samenleving sterker werd probeerde het steeds nadrukkelijker de talrijke restanten van de Bacchanalia, Lupercalia en Saturnalia evenals daarmee corresponderende inheemse gebruiken te onderdrukken.

Aan de lopende band werd tijdens synodes en concilies getracht om orde op zaken te stellen. Het waren de uitspraken van Ceasarius van Arles, 470 t/m 542, die omstreeks het jaar 500 in zijn preken tegen deze heidense gebruiken van leer trok en die de bouwstenen gevormd lijken te hebben voor de Indiculus superstitionum et paganiarum, kleine index van bijgelovige en heidense gebruiken, opgesteld door de synode van Leptines in 742, Leptines ligt bij Binche in België, waarin o.a. stelling werd genomen tegen de "Spurcalibus en februario". Uit dezelfde periode stamt ook de zin: "Diegene die in februari door allerlei minder oirbare handelingen de winter probeert uit te drijven is geen Christen maar een heiden". De biechtboeken rond het jaar 800 bevatten steeds de vraag of men zich tijdens de feesten in januari en februari als dier of oud wijf had verkleed. Daarop stond een niet geringe penitentie.

Geleidelijk aan begon het kerkelijk gezag echter in te zien dat door allerlei zaken te verbieden men eigenlijk niet tot het gewenste resultaat kwam wat uiteindelijk heeft geleid tot een zekere christianiseren, door de feesten een plaats te geven in de liturgie en het kerkelijk jaar.

Deze koerswending kreeg duidelijk gestalte toen bij synode van Benevento, in 1091, het begin van de vasten definitief werd vastgesteld op de dag welke we sinds die synode Aswoensdag noemen. De duur van de vasten was na eeuwen van strijd al tijdens het concilie van Nicea op 40 effectieve vastendagen vastgesteld. Zo zien we dan dat het Carnaval, of beter gezegd Vastenavond, na door het christendom officieel geaccepteerd te zijn, gevolgd werd door de vasten, de tijd van boetedoening en versterving, te beginnen op Aswoensdag. Het is ook vanaf dat moment dat het woord Carnaval vanuit verschillende betekenissen, doch steeds binnen zowat dezelfde context, gestalte begint te krijgen. Binnen het keurslijf van de kerkelijke liturgie kregen de oude gebruiken het karakter mee van wat men later de Narrenfeesten, Fêtes des Fous of Ezelsfeesten, zou gaan noemen. De centrale rollen werden daarin notabene in den beginne vervuld door de geestelijken die slechts de lagere wijdingen hadden ontvangen, zogenaamde subdiakens. Geestelijken die echter in heel wat gevallen analfabeet waren en als hoofdberoep gewoon bakker of slager waren.

Tijdens het feest kwamen zij echter op de eerste plaats, en speelden dan de rol van zottenbisschop of Ezelspaus. Ook hier dus de omgekeerde wereld. In 1445 kwam er echter vanuit de kerk een forse aanval tegen dit feest. De theologen van Parijs vonden dat het stilaan welletjes was geworden en vaardigden een aantal verbodsbepalingen uit en stelden een brief op waarin o.a. het volgende staat: "De priesters dragen maskers tijdens de mis, ze dansen in het koor verkleed als vrouwen, koppelaars of speellieden, en zingen schandelijke liederen. Op het altaar eten ze zwarte pudding en vette worsten, terwijl de celebrant, waarschijnlijk op zijn manier, bezig is. De dobbelstenen rollen en de wierook wordt gestookt van oude schoenzolen. Ook rennen en springen ze door de kerk. En dan gaan ze naar buiten in hun vermommingen. Met karren en met wagens trekken ze door de stad en geven schaamteloze voorstellingen, waarmee ze de lachlust van het publiek opwekken, dat ook verder uitgedaagd wordt met smerige liedjes en obscene gebaren".

De theologen besluiten hun brief met de vermelding dat ze het ergste nog niet willen noemen. De rol van de lagere geestelijken wordt echter geleidelijk overgenomen door leken. Hetgeen overigens niet wil zeggen dat daardoor geen sprake meer was van Vastenavond of zottenbisschoppen, ezelspausen en bisschoppen. Alleen de leken vervulde vanaf dan de rollen van kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, die ze belachelijk maakten. Pas later ontwikkelde zich in de narrengezelschappen een werkelijke titulatuur en heette de aanvoerder Prins, Koning, of iets dergelijks.

Zo was er bijvoorbeeld in Gent al in 1535 sprake van een Ezelskoning en een Ezelsmevrouw. De narrenfeesten waren in Vlaanderen en Nederland trouwens zeer verbreid. Later zien we dat de feesten van deze narrengezelschappen overgenomen worden door stedelijke verenigingen, zoals de Rederijkers en de Gilden.

In het Brusselse was het bijvoorbeeld de Rederijkerskamer, welke in 1551 een groot Zottenfeest organiseerde. Het werden jaar na jaar kostbaarder feesten, zo kostbaar zelfs dat kandidaat-koningen niet zelden de stad ontvluchten om toch maar niet gekozen te worden. Steden verhoogden zelfs hun belastingen om de zeer uitgebreide feesten te kunnen financieren. De reformatie en de contrareformatie die een ingrijpende scheuring in het christendom veroorzaakten zijn er de aanleiding toe dat het feestgewoel snel zal temperen.

Wat betekent nu de Reformatie voor het Carnaval?
Kernelement in de leer van Luther was dat men niet door eigen verdiensten zalig kon worden, doch slechts door uitverkiezing. Goede werken hadden zodoende geen betekenis ter bevordering van de eigen eeuwige zaligheid. Dit betekende dat ook het verschijnsel vasten werd ondergaven en afgeschaft, waardoor ook de basis voor de Vastenavond viering was komen weg te vallen, of m.a.w. de Vastenavond viering kon niet meer gebruikt worden als alibi voor de komende vastenperiode.

Vastenavond en de vasten waren immers aan elkaar gekoppeld, zo sterk zelfs dat men later in protestantse kringen vond dat de katholieken het met God op een akkoordje hadden gegooid door van de Vastenavond een soort afscheidsfuif te maken die de 40 dagen van ontbering voorafging. Ook de invloed van Calvijn, de grote reformator uit Genève, was niet te onderschatten, en zelfs negatiever dan deze van Luther. Arbeidszin werd hoog aangeslagen terwijl een enigszins royale levensstijl al snel als verspilling werd aanzien. Het regende dan ook spoedig verbodsbepalingen, zelfs in die mate dat omstreeks de 17de eeuw op bepaalde plaatsen de Vastenavond viering zondermeer verboden was. De contrareformatoren deden daar nog een schepje bovenop en stelden alles in het werk om deze feesten nog verder te verbannen. " Fasznacht houden dat is niets christelijk maar iets heidens, niets menselijks maar iets duivels" zo beweerde een van de contrareformatoren, met name Ignatius Ertl. Waaraan heeft de Fasznacht zijn naam anders ontleend dan aan vat (Fasz) geledigd in de duistere nacht.

Het is een feit dat de Vastenavondgebruiken vanaf een zeker moment sterk begonnen te verwateren of zelfs volledig uitstierven. Dit gebeurde zowel in die landen en streken waar de Reformatie succesvol wortel schoot, alsook in landen als Frankrijk, Italië en Spanje die vrijwel homogeen katholiek bleven.

Heeft de factor godsdienst dan toch een rol gespeeld? Wel ja. Waar immers handhaafde zich dit volksfeest, of beter waar herstelde het zich, of nog beter, waar ontwikkelde het zich tot een vroeger niet bereikt niveau? Als men de Carnavalskaart van Europa bekijkt, komt men tot de vaststelling dat dat het geval is in die gebieden waar de sociaal-religieuze fronten tegen elkaar aanleunen, en wel aan de katholieke zijde van het front. In Nederland situeert zich dat beneden de grote rivieren, in Duitsland langs de Rijn.

Het is dan ook in deze contreien, namelijk het katholiek gedeelte van Europa dat het Vastenavondvuur als een veenbrand ondergronds is blijven verder smeulen, om uiteindelijk begin de 19de eeuw opnieuw vlam te schieten.

Met de comeback van het Carnaval (we spreken dus nu niet meer van Vastenavond) moet er inderdaad gewacht worden tot het jaar 1823. Het is in de stad Keulen, de stad die inmiddels kan terugblikken op een oude Vastenavondtraditie, dat in 1822 enkele notabelen de koppen bij elkaar staken om Carnaval te organiseren. Het Carnaval was immers sinds het vertrek van de Franse bezettingslegers uit het Rijnland op 14 januari 1814 weer stilaan opgelaaid.

In 1823 werd meteen een majestueuze optocht met Held Carnaval (wat later Prins Carnaval zal worden) tronend op een pronkwagen georganiseerd.
En het vervolg van het verhaal, wel dat is niet meer of minder dan het Carnaval dat wij vandaag kennen, ondergaan en beleven. Hopelijk nog heel lang!



Hoofdstuk 2, Benaming.

Velen hebben zich ongetwijfeld al de vraag gesteld vanwaar de benaming "Carnaval" precies vandaan komt. Wel net zoals het moeilijk is om het verschijnsel Carnaval precies te verklaren, is het nog moeilijker om een correcte uitleg te vinden voor de woorden "Carnaval" en "Vastenavond"

De oudste benaming die in de richting van het woord Carnaval wijst, staat vermeld op een acte uit het Italiaanse Subiaco uit 965 als een tijdsaanduiding "Carnelevare". Ook komen we in de 13de eeuw de woorden "carnisprivialis", "carnis privium" en in een oude Luikse tekst de term "quarnivalle" tegen.

In Nice komen duikt het woord "Carnaval" voor het eerst op in 1924. Andere termen die gebruikt worden zijn "carn avallare" en "carne levamen" (1595). De afleiding van het Toscaanse "carne vale" (afscheid van het vlees) komt in oude stukken niet voor. Bovendien lijkt dit onwaarschijnlijk omdat de Europese plattelandsbevolking zich tot ver in de Middeleeuwen nauwelijks vlees kon permitteren.

Het woord "Carnaval" is in Nederland van vrij recente datum, namelijk in de Hollandse Mercurius in 1673. In de Keulse stadsakten vindt men het pas in 1780.

Vele menen ook dat het woord Carnaval afstamt van "carrus navalis" (is scheepskar), hoewel volgens ingewijden dit de minste kans maakt. Vermeldingen over dit schip op wielen, dat misschien wel de voorloper is geweest van de huidige prinsenwagens, zijn al terug te vinden in de oude beschrijvingen aangaande de vieringen in Babylonië. De tocht van de boot op wielen was een jaarlijks terugkerend schouwspel ter viering van het licht en van de vruchtbaarheid. Ook bij de Grieken en de Romeinen, evenals onze Germaanse voorouders zijn hieromtrent rotstekeningen terug te vinden.

Overal waar dit narrenschip voorbijtrok werd uitbundig gefeest. In de middeleeuwen duikt dan het "Narrenschiff" op dat zich vanuit de Rijnstreek in alle richtingen verspreidde; Ook onze streken werden bezocht door dit schip. Zo staat bijvoorbeeld in de "Gesta Abbatum Trudonensium" uit 1133 van de abt Rodulphus van de abdij van Sin-Truiden het verhaal van een schip op wielen, gebouwd door het weversgilde van Cornelimunster bij Aken, dat via Maastricht, Tongeren, Borgloon en Sint-Truiden trok. Op alle plaatsen waar het schip voorbijtrok werd er duchtig gefeest, blijkbaar ook in Sint-Truiden waar volgens de optekeningen van de abt "mannen en halfnaakte vrouwen dansten bij maanlicht".

Wat echter het woord Vastenavond betreft ligt het voor de hand dat het woord verband houdt met de "avond" korte periode voor de veertigdaagse "vasten". Voor de herkomst van het woord "Vastenavond" moeten we eveneens naar de 13de eeuw terug. Het oudste woord is: "Vasnacht", vervolgens komt "vaschang", duidelijk voorloper van "fasching" (1283). Het woord "Fastnacht" komen we in 1299 in Duitsland tegen en het woord "Vastelavond" in Nederland in 1290. Het stamwoord "fas" kan hierbij afgeleid zijn van middeleeuwse "faseln", wat betekent gedijt, rijke vruchten voortbrengen, maar ook bazelen, onzin uitkramen, enz...

In het Indo-Germaans betekent het lente. Sommigen suggereren dat de kerkelijke schrijvers er later de "t" hebben tussen gevoegd om de verbinding met de vasten te benadrukken.



Hoofdstuk 3, Blauwe Schuit.

Of de naam "Carnaval" al dan niet afgeleid is van het begrip "Carris Navalis" of scheepswagen, laten we hier buiten beschouwing.

Feit is echter dat al in het Babylonië van 2600 voor Christus een wagenschip door de straten trok bij gelegenheid van festiviteiten, die te vergelijken zijn met ons nieuwjaarsfeest. Op deze wagen troonde dan een persoon van "lage kaste", veelal een slaaf, die één dag lang als koning werd vereerd en aan wie de aan een vorst verschuldigde eerbied werd bewezen. De slaaf werd op die wijze gelijk aan zijn meester, de slavin gelijk aan haar meesteres.

De omkering van de maatschappelijke orde is in feite de wezenlijke kern van de Carnavalsviering, die ook in onze huidige viering terug te vinden is. Bijvoorbeeld wanneer de burgemeester van een stad de stadsleutel overdraagt aan de Prins der Zotten. Prins Carnaval neemt op dat moment voor enkele dagen symbolisch de macht over in de stad. Wie zich dus verdiept in de geschiedenis zal herhaaldelijk scheepswagens ontdekken, die naar aanleiding van vreugdevolle aangelegenheden over land werden voortgetrokken. De Grieken en Romeinen deden dit tijdens hun Dionysiusfeesten, terwijl ook onze Germaanse voorouders het wagenschip kenden.

Ook in de middeleeuwen zijn er sporen terug te vinden over dit fenomeen, terwijl ook in Maastricht in de jaren dertig een blauwe schuit in de Carnavalsoptocht heeft zien meevaren.

De naam "Blauwe Sjuut (Schuit)" komt men voor het eerst tegen in een gedicht van Jacob van Oestvoerne in 1413. Hij vertelt in het verhaal van een gilde, bestaande uit vertegenwoordigers van alle lagen uit de burgerij, die stuk voor stuk een grote ondeugd, gebrek of tekortkoming kon toegemeten worden.

Het gilde bestond voornamelijk uit vervlogen adel, verwende rijkeluiszoontjes, vraatzuchtige monniken, geile nonnen, domme kooplieden, en gebuisde studenten. Gebreken of tekortkomingen, die in termen van dwaasheid nog te bezweren leken, en bovendien een uitzicht op herstel boden. Moordenaars, zeerovers, brandstichters, vrouwen van lichte zeden, hoogverraders, enz... konden daarom nooit deel uitmaken van een dergelijk gilde.

De scheepsbeeldspraak was in de middeleeuwen erg populair. Vooral dan in de satire. Men hekelde immers in spotgedichten ook de kerkelijke overheid en aangezien blauw een sacrale kleur was, gaf men de schuit dit "blauwe" mee. Hoogstwaarschijnlijk komt de toevoeging "blauwe" daar vandaan.

Dit soort schuitgildes manifesteerden zich in tal van plaatsen gedurende de middeleeuwen. Zo bericht Jacop van Oestvoerne dat zulke gilde al lang voor 1413 in Antwerpen heeft bestaan, terwijl naderhand ook 's Hertogenbosch, Utrecht, Nijmegen en Breda dergelijke gilden herbergden. In Bergen op Zoom voer al in 1534 een blauwe schuit rond en in de twintigste eeuw zien we in tal van plaatsen voorlopers van de Heerlense Blauw Sjuut opduiken, ondermeer in

's Hertgenbosch en Bergen op Zoom in 1937.

De Blauw Schuit, het historisch narrenschip, waarvan een 'voorloper' al rond 2600 voor Christus door de straten van het oude Babylonië werd voortgezeuld, doet ook in onze huidige tijd, als scheepswagen zijn ronde door het Nederlands-Limburgse land en de aangrenzende Duitse en Belgische contreien.

Al ruim 40 jaar zet een zottenboot enkele dagen voor het eigenlijke Carnavalsfeest vanuit zijn thuishaven Heerlen koers naar andere breedten als een heraut van de Vastenavond, en haakt daarmee in op de gebeurtenissen uit het jaar 1133, waar in het aan de uitlopers van de Eifel gelegen plaatsje India, het huidige Kornelimunster, (bij Aken) een boer in een bos een wagen op wielen in mekaar timmerde en er via Maastricht, Tongeren, en Sint-Truiden naar Zoutleeuw mee "koerste". Deze boer die veel geplaagd werd door de "betere stand" van die tijd kreeg toestemming van rechterlijke macht om zich, gezeten op zijn schuit, door het weversgilde, die in die tijd erg populair was, te laten voortsjouwen. De tocht zou uiteindelijk stranden in het Brabantse stadje Zoutleeuw, de plaats waar het narrenschip op een nog steeds onbekende wijze aan zijn einde kwam. Het jaartal 1133 ligt vast in officiële geschriften, en voor de huidige Blauw Sjuut (Schuit)begint daar de jaartelling.

De geschiedenis van dit schip op wielen werd uitvoerig opgetekend in de kroniek van de abdij van Sint-Truiden in de zogenaamde "Gaste Abbatum Trudonensium", waarvan in 1986 een vertaling is verschenen in de serie "Maaslandse Monografieën". Het origineel bevindt zich in de Rijksbibliotheek van Brussel, terwijl het stadsarchief van Maastricht er een afschrift van heeft.

Blijkt trouwens dat de abt van Sint-Truiden, met name Rodulphus, in die tijd hoegenaamd niet opgetogen was over het verschijnen van de schuit in zijn stad. Hij zag in het blauw geverfde schip een werkplaats van boze geesten, gebouwd met heidense toewijding. Puur duivelswerk dus, en de abt noemt het ook zo "diabolicum technam". Al even bezorgd was hij over het feit dat de in zijn ogen twijfelachtige roep van de scheepswagen zich uiterst snel over het land verspreidde.

Overal langs de scheepsroute ontstonden woeste feesten met uitspattingen van hevigheid, die zelfs het alles behalve zachtzinnige middeleeuwer, de haren ten berge deed rijzen. Er dient echter opgemerkt te worden, dat het niet de opvarenden waren die deze orgiën opvoerden, maar wel de plaatselijke bevolking die zich verzamelde in het kielzog van de schuit.

Om zijn stad tegen dit duivelse gedoe te beschermen, riep de abt van Sint-Truiden de hulp in van de Heer van Leuven, en deze zond op zijn beurt zijn leger uit om het schip te kelderen. Maar de brave abt had buiten de bevolking van Sint-Truiden (heden ten dage nog steeds een ras apart) gerekend, die zich kostelijk amuseerde en dat uiteraard ook zo wilde behouden.

Weliswaar is het meer dan waarschijnlijk dat die schuit niet "Blaue Scute" heeft geheten. Bovendien verschilde ze op een wezenlijk punt van de imaginaire schuiten uit de hekeldichten van de middeleeuwen of van de rondtrekkende scheepswagens in de middeleeuwse steden. Het verschil bestond daarin, dat de schuit uit Kornelimünster van plaats naar plaats 'voer' en dus niet binnen de stadsgrenzen bleef. Een traditie die van in het prille begin overgenomen werd door De Winkbülle uit Heerlen. In Heerlen is die Inda-sjuut nooit geweest, maar het is de verdienste van de Heerlense stadscarnavalsvereniging De Winkbülle geweest om in 1949 het fenomeen nieuw leven in te blazen, de zottenboot in ere te herstellen en haar bovendien elk jaar te doen uitvaren.

Het broederschap "Gilde van de Blauw Sjuut", dat in feite een commissie is van Winkbülle, bestaat ongeveer uit een vijftiental leden, en draagt de volledige verantwoordelijkheid rond deze organisatie.



Hoofdstuk 4, Alaaf.

Het is uiteraard een groet, doch er bestaan tal van verklaringen voor.

De taalkundige structuur van het woord elf vertoont een verrassende overeenkomst met het in het Carnavalsjargon zo centraal staande woord "alaaf". Er moeten dus ergens tussen beiden een verband bestaan. De minst bekende, doch echter de meest ernstige, gaat terug naar allerlei uitdrukkingen in het Middelnederlands, zoals "Al hebbe se mi nit helpe willen, Allaf (all ave) Jupp, die sprong gelik bei". Kortom de positieve uitzondering op een negatieve regel. Het woord als af-(ave) God en averechts wijzen in dezelfde richting. Alaaf Kölle betekent: het mag dan elders niet alles zijn, maar in Keulen is het goed toeven (met Carnaval). Alaaf betekent in het Joods overigens "eerste". Allaf Keulen betekent in voorkomend geval dus "er gaat niets boven Keulen". Keulen komt op de "eerste plaats"

Het verschil tussen de woorden Alaaf, Helau, de groet uit Mainz, en zelfs ons normale Hallo zijn miniem en betekenen omzeggens hetzelfde.



Hoofdstuk 5, Buut.

De naam "buut" zoals we deze op dit moment kennen is afkomstig uit het Rijnland, waar dit woord in het dialect "ton" betekent. Het ligt dus enigszins voor de hand dat deze traditie eveneens van uit het Rijnland naar ons streken is uitgeweken, en dit voornamelijk na het einde van de tweede wereldoorlog. Het heeft trouwens een gebruik, dat zich beperkt tot die plaatsen waar de Rijnlandse Carnavaltraditie het meest intens beleefd wordt. Te weten in het Duitse Rijnland zelf uiteraard, en vervolgens in Belgisch- en Nederlands-Limburg. Ook in de oude tijden moest er net zoals het nu de gewoonte is, op het einde van het jaar een balans of jaaroverzicht worden opgemaakt.

Belangrijke figuren moesten dan eigenlijk voor de door hun gemaakte fouten een straf ondergaan, de koning zelfs boeten met zijn leven. Meestal bedachten ze echter voor zichzelf een mildere straf door zich door een hofnar de waarheid te laten zeggen en zich daar in zekere zin belachelijk te laten maken in de hoop dat de goden daar ook genoegen mee zouden nemen. In de buut wordt de hofnar opnieuw tot leven geroepen. Het is zijn taak om de bewoners van de plaats en omstreken, met name de hoogwaardigheidsbekleders eveneens op een lachwekkende manier op tekorten en echte of onechte nalatigheden te wijzen. Liefst tot vermaak van een volle zaal. De geschiedenis van de nar, als voorloper van de buutreedner is dus al zeer oud. Sinds de Comedia dell'arte onderscheiden zich verschillende types.

Vergeleken met de nar is de buutreedner in principe meer plaatsgebonden. Een ton is zijn (s)preekgestoelte. Tussen de nar, de clown en de buutreedner bestaat er in feite een grote overeenkomst. Het woord nar zou afkomstig kunnen zijn van het oud Hoogduitse "narro". Terwijl "nar" in de Zuid-Duitse dialecten ook gewoon "jongeman" betekent. Het zou dus oorspronkelijk wel eens gewoon "lid van een jongemannenbond" kunnen betekend hebben. Het woord clown komt van colonus, wat "boer" betekent, ook in negatieve zin. Kortom zowel de nar als de clown pleegt af te wijken van de gewone burger. In de fysieke zin. Echt of nagemaakt, de "grote mond" van de clown, zijn rode neus en vlammende haar. Qua kleding, excentriek, denk maar aan de grote schoenen van Charlie Chaplin, of de veel te grote broek, en stropdas van circusclown.

Op psychische vlak: het tot uitdrukking brengen van een voorgewend ontbrekend bevattingsvermogen of m.a.w. hij stelt zich voor als iemand die wat achterlijk, of tenminste niet erg snugger is. In alle gevallen is er sprake van onvolkomenheid, zoals de buutreedner ook vaak het onvolwassene, onvolgroeide, het primitieve of het achtergeblevene tot uitdrukking brengt. Met deze onvolkomenheid stelt hij echter tegelijk in feite alle schijnvolkomenheid aan de kaak; zijn onechtheid provoceert schijnechtheid. In de tweede plaats wordt aan de (hof)nar en de buutreedner de ruimte gelaten voor een zeer vrije meningsuiting. Sterker nog, precies dat wordt juist van hem verwacht. Hij is degene die zonder rekening te houden met het aanzien van de persoon en zonder vrees voor straffen, de waarheid mag en moet zeggen tegen de hoogstgeplaatste in de samenleving. Hij heeft zodoende een kritische functie.

Een buutreedner is in de eerste plaats een volkse verteller, een mens met geest en humor. Hij doet beroep op de fantasie en de speelsheid van het publiek. Hij voert een speels gevecht met de autoriteit en schuwt geen heilige huisjes. Onder het mom van Carnaval kan hij of durft hij te zeggen wat anders of niemand kan. Meestel doet hij dat door een bepaald typetje te vertolken (de slager, de schoolmeester, ...)

Er zijn vanzelfsprekend verschillen tussen de huidige buutreedner en de hofnar of zijn "halfbroer" de clown. Immers, een volksgebruik zoals dit heeft zich een plaats moeten zien te verwerven of te behouden tussen de alternatieven als cabaret, satire, e.d. Het probleem is evenwel, dat de rol van buutreedner omzeggens uitsluitend door amateurs wordt beoefend. Het is, laten we zeggen een tweede natuur (talent) die open bloeit, naast een gewoon beroep. Een tenslotte de "buuttemars". Deze heeft de bedoeling de buutreedner te begeleiden bij het opgaan of het afgaan. De buuttemars is meestal afgeleid (parodistisch) van militaire marsmuziek.



Hoofdstuk 6, Buutte-onderwijs.

Zij die zich geroepen voelen om de rol van buutreedner te vertolken horen best met enig talent begaafd te zijn. Midden de zeventiger jaren heeft men echter te noodzaak in gezien om dezen die, hoewel zij al over enig talent beschikken, toch een handje toe te steken, door hen bepaalde technieken aan te leren. De vroegere BOMMA (Buutte Onderwijs met Middelbare Afdeling) in Genk (België) was daarvan een voorloper. Bijkomende vorming was inderdaad noodzakelijk geworden om het kwalitatief peil te blijven handhaven, doch daarnaast, en dat is een bijkomend fenomeen, heeft men in een recenter verleden vastgesteld dat het aantal buutreedners flink begon af te nemen. De oudere garde verdween en er was bij wijze van spreken geen aflossing van de wacht door jonge of nieuwe krachten. Na het verdwijnen van de buutteschool, bleef het een beetje windstil op het vlak van de opleiding van tonpraters. Vandaar dat sinds 1995 binnen de schoot van FEN-Vlaanderen, meer bepaald in de provinciale afdeling Limburg het initiatief werd genomen om opnieuw naar het voorbeeld van BOMMA met een opleidingscursus van start te gaan, ditmaal onder de naam B.O.L. (Buutte Onderwijs Limburg). De opleiding zelf verloopt over drie volle academiejaren, en staat onder de kundige leiding van een specialist-tonprater, en wordt er ijverig gezocht naar onderwerpen, personages en uiteraard grappige situaties. Moppen worden op een professionele wijze in een ander kleedje gestoken. Er wordt gezocht naar komische woordspelingen terwijl uiteraard getracht wordt om gebeurtenissen uit de actualiteit - liefst de politieke actualiteit - op een lachwekkende wijze voor te stellen.

De voorstelling, of m.a.w. het brengen van de buut, gebeurt onder de vorm van één of ander "typetje" dat wordt uitgebeeld. Bijvoorbeeld, een postbode, een pastoor, een melkboer. Op een moment dat het officiële onderwijs nog steeds met het hoofd in de vakantiewolken vertoeft, en dat de zon nog huizenhoog aan de blauwe hemel prijkt, gaan de opleidingen al van start. We spreken dan over de maand augustus. Tijdens de tien geplande lesavonden, die dus lopen vanaf augustus tot begin november is het de bedoeling om de knepen van het tonpratersvak onder de knie te krijgen. Het is dan ook de bedoeling dat de leerling zich echt inleeft in de rol van het typetje waar hij voor gekozen heeft. Hij gaat bij wijze van spreken net zoals een toneelspeler zijn rol vertolken aan de hand van teksten die hij, in dit geval, zelf heeft opgesteld. Een tekst die hij op en top van buiten hoort te kennen en die dermate moet samengesteld zijn dat er naar een soort climax gewerkt wordt.

Een juiste woordkeuze, een duidelijke intonatie, de juiste bewegingen en gelaatsuitdrukkingen, de kostumering, de grime, de eventuele attributen die hij bij zich heeft zijn daarom allemaal onderdelen die van fundamenteel belang zijn wanneer hij in de ton staat. Het ene element hoort trouwens bij het andere te passen. Wanneer bijvoorbeeld een tonprater in de buut verschijnt als pastoor, dan ligt het voor de hand dat hij geen jachtgeweer bij zich hoort te hebben, tenzij hij er uiteraard een zinnig verhaal weet aan te koppelen. Kortom je moet het publiek weten te boeien, en hoe sneller dit proces verloopt hoe groter de kans op succes.

Bij wijze van proef krijgen de leerlingen meteen na de opleidingscyclus de gelegenheid om de door hun opgedane ervaring te confronteren voor een zaal met publiek. De zogenaamde "try-out". Het is uiteraard niet iedereen gegeven om een overvolle zaal in te trekken, zenuwloos het podium te beklimmen, en vervolgens het publiek gedurende 11 minuten te doen gieren en brullen van het lachen.

Deze "try-out" mag, hoewel een jury oordeelt over de wijze waarop de leerling zijn buut brengt, niet aanzien worden als een wedstrijd. Integendeel, het is uitsluitend de bedoeling op basis van het rapport van de jury de leerlingen te wijzen op de gebreken en hen tevens raadgevingen toe te spelen. Zoals we al hebben vermeld is het een gebruik dat vanuit het Rheinlandsche Carnaval bij ons terecht is gekomen, doch eigenlijk nooit verder geraakt is dan de provincie Limburg, meer bepaald dan nog in het Maasland. En het kan nu misschien een beetje eigenaardig klinken maar we moeten helaas vaststellen dat het Maaslandse dialect zich ook uitstekend leent als taal in de praatton. Wat dan weer niet wil zeggen dat diegenen die het Maaslands niet goed of helemaal niet beheersen per definitie uitgesloten zijn. Integendeel, doch vanuit welke streek men ook afkomstig is, de basistaal voor en tonrede is en blijft het dialect.

Een aantal jaar geleden, kon er in Limburg haast geen enkele zitting doorgaan, of er stonden één of twee tonpraters op het podium. Heden ten dage bestaat dat gebruik jammer genoeg hoe langer hoe minder, en heeft FEN-Limburg aldus het initiatief genomen om cursussen voor tonpraters in te richten, precies met de bedoeling geïnteresseerde personen een degelijke opleiding te geven. Want je mag zeker van zijn, goede humoristen zijn echt een uitstervend ras.



Hoofdstuk 7, Carnavalschlager.

Carnaval is ondenkbaar zonder eigen schlagers en zonder muziek. Ze zijn een uitingsvorm van de eigen cultuur, de eigen leefstijl, in het "anders maatschappelijk" milieu, omdat in de Carnavalstijd de normale cultuur gerelativeerd wordt. Carnavalsmuziek is dus ook sterk seizoensgebonden.

Het Carnavalslied is een cultuuruiting bij uitstek, een ventiel van creativiteit voor velen. Het lied is vrijwel altijd het resultaat van een flitsende inval en daarna van een lang rijpingsproces, want men wil tenminste een lied maken voor één jaar, een volkslied tijdens de regeringsperiode van de prins, liefst geen eendagsvlieg, maar wel een "evergreen". Inhoudelijk is een Carnavalschlager vaak weemoedig en zelfs chauvinistisch. Hij kan bijvoorbeeld een uiting van trots zijn op het eigen dorp, de eigen stad of streek, van lokaal patriottisme een lofzang op de eigen plaats, daarom in het eigen plaatselijke dialect.

Maar het kan ook een zich afzetten zijn tegen identiteitsverlies en vervreemding, tegen veranderingen die de eigenheid aantasten, tegen schaalvergroting en opgaan in de massa. Het is dan ook geen wonder dat de plaatsnaam, of de naam van de prins of de groepering, vaak in de tekst van een Carnavalschlager voorkomen. Een spijtige vaststelling is echter het feit dat als maar minder plaatselijke Carnavalschlagers worden gemaakt. De opnamekosten wegen vaak niet meer op tegen inkomsten uit verkoop, maar bovendien, en dat is ook een vaststelling, moeten onze plaatselijke in het dialect uitgevoerde Carnavalschlagers, het vaak afleggen tegen de puur commerciële muziek, die door de radiostations met alle middelen wordt gepromoot.

De plaatselijke Carnavalschlagers krijgen bovendien vanuit deze hoek weinig of geen steun of promotiekansen, en worden letterlijk en figuurlijk van de draaitafel gespeeld door "De worstjes op mijn borstjes", "Het paard in de gang", enz...

In Belgisch-Limburg bestaat er initiatief dat zich Carnavalissima noemt, en waar jaarlijks een klein aantal verenigingen onder de vorm van een wedstrijd, hun Carnavalschlager komen voorstellen. De deelnemende nummers worden vervolgens op een verzamel-cd gezet.

Daarnaast zijn er in het Belgisch-Limburgse Maasland enkele verenigingen die jaarlijks de CD "Vastenoavend aan de Maaskant" met vrij veel succes op de markt brengen. Ook in Aalst wordt Carnavalsmuziek jaarlijks op een CD gezet.



Hoofdstuk 8, Carnavalsgroet.

In het Duitse Rijnland had men het niet zo erg begrepen op de Pruisen met hun sterke militaristische drang. Als vervorming (parodie) bedacht men een alternatieve groet. Niet met de rechterhand tegen de rechterslaap, zoals gebruikelijk. Neen, met de top van de rechterhand naar de linkerslaap. Dus een duidelijke parodie op "das Militär".



Hoofdstuk 9, Carnavalsviering.

De Carnavalsviering is één grote aanwijzing voor het ontdekken van datgene, waarin de mens zich bewust of onbewust te kort gedaan voelt.

De Carnaval is de verklikker van het menselijk tekort, de onbewuste getuige van het menselijk streven, dat - zoals een Duits Carnavalspamflet het uitdrukt, "mal nur Mensch sein". Men zou zeggen, een bescheiden verlangen. De feitelijkheid wijst anders uit. Het betekent een verlangen naar een gemeenschapsvorm, dat al het negatieve mist van de hedendaagse maatschappij. De Carnavalsviering is een feest van ongeëvenaarde heftigheid en felheid. Carnaval is dan ook "geen vlucht in het gemakkelijke". Er komt inderdaad inspanning, inspiratie en zelfs transpiratie aan te pas.

Meer dan anders wordt er dialect gesproken, meer dan anders streeft men naar een ongecompliceerd "ohne Kultur"-leven.

De viering wordt ook gekenmerkt door de grote publieke belangstelling. Met Carnaval kan men zich door de drukte soms nog slechts verticaal bewegen. Door muziek, dans en drank, maar vooral door de drukte ontstaat een geheel ander sociaal klimaat. De drukte maakt tegelijk intimiteit en de meest vluchtige contacten mogelijk. Een arbeider kan een biertje drinken met zijn burgemeester zonder dat dit gevolgen heeft voor de omgang met elkaar in het normale dagelijkse leven. De contacten zijn minder verfijnd, minder gecompliceerd, meer op de man af, minder conventioneel zonder direct familiair te worden. Het contact vindt zijn doel in zich, is duidelijk onvoorbereid en niet op de toekomst gericht. De Carnavalist leeft op het moment zelf.

Als Carnavalist is men best geen toeschouwer, maar een "doener", een deelnemer aan het grote jaarlijks terugkerende publieke feest. Carnaval gedijt trouwens het beste op straat en niet in gesloten ruimten.



Hoofdstuk 10, Carnavalsorganisatie.

Hoewel de Carnavalsviering op zich eigenlijk in alle spontaniteit, jaar na jaar opnieuw tot leven komt is Carnaval tegenwoordig ook een zaak van organisatie. Men kan stellen dat in de Carnavalbolwerken tegenover elke 10 vierders wel één persoon staat die op de een of andere wijze bij de voorbereiding van de organisatie betrokken is. Er moet voor gezorgd worden dat leidende figuren gevonden worden voor het centrale rollenspel. Een prins, jeugdprins, ... moet aangezocht worden, zittingen, revues, bals, moeten voorbereid worden, en niet vergeten de optocht. Organisatie is dus strikt genomen noodzakelijk, maar ze is pas echt goed als de aanwezigheid ervan nauwelijks of niet merkbaar is. Let wel, niet alleen verenigingen moeten zich voorbereiden, ook de buutredener of tonprater schaaft vaak maanden aan zijn tekst en test deze voortdurend in de kring van familie, buren en kennissen.

Een Carnavalschlager kan het resultaat zijn van één moment van creatieve bevlogenheid, doch vaker is deze het resultaat van een lange zwangerschap, soms van meerdere personen, namelijk de tekstdichter en de componist.

Zaate hermeniekes hebben de opgave er voor te zorgen dat ze hun repertoire beheersen, wat vele uren van repeteren betekent. Dansmarietjes dienen alle danspasjes keurig tijdens de vele trainingsuren in te studeren. Hetzelfde geldt voor de wagenbouwers of diegenen, die als groepen aan de optochten mee doen. De kortstondigheid van de optocht staat in scherp contrast tot de vele uren die er aan werk ingestoken worden. Men moet er zelf aan meegedaan hebben, vooral ook het plezier tijdens de voorbereiding hebben ondergaan, want dan beleeft men dikwijls meer vreugde dan bij het gebeuren zelf.



Hoofdstuk 11, Carnavalseizoen.

Pasen,

Het Carnavalseizoen is door de vasten ingebed in het kerkelijk jaar, namelijk 40 dagen voor Pasen. Daarom kan Carnaval in principe op elke datum tussen 2 en 3 februari en 9 en 10 maart vallen. Voor wat de datum van Carnavalzondag voor de eerstvolgende jaren betreft verwijzen wij naar de afzonderlijke rubriek hierna. Men viert namelijk het paasfeest op de 1ste zondag na de volle maan na 21 maart (vastgesteld op het concilie van Nicea, Klein-Azië in 325 na Christus).

De volle maan was noodzakelijk vanwege de pelgrimstochten die destijds plaats vonden naar heilige plaatsen. Zo konden de pelgrims er zeker van zijn dat ze de tocht, ook bij nacht, konden volbrengen. Het feest werd daardoor overal op hetzelfde tijdstip gevierd.

Vermoedelijk is Pasen dan ook, net zoals Carnaval, een lentefeest dat volledig in het teken van de vruchtbaarheid staat. Eieren zijn daar nog steeds een symbool van. Een lentefeest is uiteraard afhankelijk van de seizoenen en ook met de omloop van de aarde om de zon (het tropisch jaar). Het feest werd niet alleen gekoppeld aan de zon, maar ook aan de maan de omloop van de maan om de aarde (maanmaand). Nu is het zo dat er precies een afgerond aantal aan maanden in een tropisch jaar passen. Daardoor verschilt de paasdatum ieder jaar weer. En zo ook de paas-gerelateerde dagen zoals Vastenavond (40 dagen voor Pasen), Hemelvaart (40 dagen na Pasen).

Carnaval,

Het is ook niet toevallig dat het Carnavalseizoen wordt ingezet op 11 november, het feest van Sint-Maarten, opnieuw 40 werkdagen voor een belangrijk kerkelijk feest, namelijk Kerstmis. Men sprak in de Gallische Kerk van de Epiphaniavasten of de "kleine vasten". Vanuit deze optiek gezien zou een eventueel voorseizoen voor de Carnaval zonder veel bezwaar voor 11 november kunnen beginnen, maar zou dan wel op 11 november moeten eindigen.

Het Carnavalseizoen zit dus eigenlijk niet zo gek in elkaar. Immers in veel streken mocht de huisslacht alleen tussen Sint-Maarten (11 november) en Vastenavond plaats vinden. Daarbij speelde mee, dat in deze koude periode waarin het voedsel schaars was, zeugen toch beter geen biggen konden krijgen. Het slachten van dieren paste perfect in de biologische jaarcyclus. Als de periode voor de slacht werd meestal het tijdstip gekozen waarop het varken het vetst was en het bewaren de minste problemen stelde. Men besefte bovendien dat grote delen van het geslachte varken in vroegere tijden niet bewaard konden worden (tenzij gedroogd, gerookt of gezouten) en dus onmiddellijk moest worden geconsumeerd.

Kortom de nog steeds vrij koude periode voor de vasten was daar bijzonder geschikt voor. Anderzijds kan men zeggen dat het vroegere Carnaval, de dagen waren waarop men zich nog even de buik rond kon eten voordat de vastenperiode begon. Van de slacht moesten de niet lang houdbare gedeelten zoals bloed- en leverworst, lever, nieren, enz.. op en daar bood Vastenavond een goede gelegenheid toe.

Na 11 november trad tenslotte een soort natuurlijke vakantie in. Men had op die dag, nadat de pacht was betaald, stevig gefeest en er hoefde niet meer al te hard gewerkt te worden. Tijdens deze "winterslaap" kon men ook met wat minder voedsel volstaan en ook dat kwam goed uit.

Wie doordrongen is van de magische betekenis van het gekkengetal "de elfde van de elfde" zal bovendien begrijpen dat een Carnavalorganisatie zo een datum niet ongemerkt voorbij kan laten gaan. Het feit dat men vaak voor allerlei manifestaties het weekend ervoor of erna kiest dient aanzien te worden als een onbeduidende (praktische) schoonheidsfout.

Vanaf de elfde van de elfde doet Carnaval aldus zijn intrede en dit in principe tot aan de eerste zondag van de Advent. Daarna treed de zogenaamde stille periode in, die men Advent noemt. Het zijn de vier volle weken die Kerstmis voorafgaan, en tijdens dewelke eigenlijk geen openbare Carnavalsactiviteiten zouden mogen plaatsvinden. Ook hier heeft onze moderne samenleving helaas voor enkele uitzonderingen gezorgd. Vervolgens belanden we in de periode tussen Kerstmis en Driekoningen. In de volkscultuur was deze twaalfdaagse periode vroeger van veel belang, maar ook daar is de betekenis ervan ondertussen verwaterd.

Op 28 december worden nog steeds op enkele plaatsen de "onnozele" kinderoptochten georganiseerd of zijn ze weer in ere hersteld. Het vroegere Driekoningengebeuren is historisch nauw verwant aan de Vastenavondgebruiken. Het feest fungeerde oorspronkelijk als een Nieuwjaarsfeest en/of de verdrijving van het oude jaar. Dit werd in de vorm van een "ald wief" verdreven. Zij verpersoonlijkte al het kwaad van het afgelopen jaar en moest plaats maken voor de verschijning of de geboorte van het nieuwe jaar.

De daaropvolgende periode situeert van de 7de januari tot de laatste week voor Carnaval.

Al naar gelang de lengte van het Carnavalseizoen volgt dan een meer of minder intensief programma van zittingen, revues, bals en specifieke manifestaties of evenementen.

Het belang van deze voorfase mag niet worden onderschat. Het is zowat de tijd - om het in keukentermen uit te drukken - van het voorsudderen. De sfeer wordt consequent opgebouwd en een soort van Carnavalistische hersenspoeling doet haar intrede. Tijdens de laatste week voor Carnaval voelt men de koorts duidelijk toenemen. Links en rechts worden er prinsenrecepties gehouden, terwijl op sommige plaatsen naar Rijnlands model "Weiberfastnacht", vrouwen-Vastenavond gevierd wordt op donderdag voor Vastenavond. De vrouwen spelen dan de baas. Ze laten zich niets door de mannen zeggen; er worden zelfs klopjachten op mannen gehouden terwijl mannen zich dan niet zonder risico kunnen vertonen. Zo breekt dan de vrijdag aan. Steeds meer scholen wijden de vrijdagnamiddag aan de Carnavalsviering. Kinderen worden uitgenodigd verkleed naar school te komen, soms organiseert men zelfs een schooloptocht en kiest men een schoolprins.

Voor de energieke vierder is de vrijdag vaak al een mooie gelegenheid om op gang te komen en om "voor te proeven". In de laatste week, maar soms ook eerder, bestaat bij bepaalde Carnavalsorganisaties de traditie om een plaatselijke Carnavalskrant uit te geven, of worden er eucharistievieringen opgedragen in het plaatselijk dialect. Het is ook een gewoonte dat op dat moment de prins, de lagere en kleuterscholen gaat bezoeken om bijvoorbeeld de creatieve prestaties, zoals tekeningen en teksten over Carnaval te beoordelen, alsook de wagenbouwers die de laatste hand leggen aan hun nieuwe wagens.

Vanaf het moment dat in de zestiger jaren de vrije zaterdag ingeburgerd raakte hebben de Carnavallisten deze dag meteen ingepalmd, waardoor we ondertussen op vele plaatsen de zogenaamde "Drie Dolle Dagen" terugvinden. Op enkele plaatsen heeft men zelfs van de gelegenheid gebruik gemaakt om de Carnavalstoet 's zaterdags te laten doorgaan. Heel vroeger gold in de katholieke streken trouwens dezelfde traditie, en werd de hoofdmanifestatie, namelijk de optocht, verschoven naar de maandag. Een gebruik dat we nu nog steeds op tal van plaatsen terugvinden de zogenaamde stoeten op Verloren maandag of Rosenmontag. Hoewel er links en rechts wel verschillen in de tradities te noteren vallen, draait alles toch rond een aantal "scharnierelementen".

Zaterdag of zondag de start van de festiviteiten met een openingsritueel, vaak gekoppeld aan de officiële overdracht van de macht van de burgemeester aan de prins, tijdens de eerstvolgende drie dagen. Zaterdag, maandag maar vooral zondag optochten zowel voor kinderen als voor volwassenen. De optocht is de spil van het Carnavalgebeuren en trekt telkens, weliswaar een beetje afhankelijk van de weersomstandigheden heel wat publiek aan. Steden en dorpen lopen vol en de horecazaken puilen uit van het volk. Dinsdag (Vette dinsdag) het "afsluitingsritueel". Voor veel Carnavalorganisaties was deze dag meestal een probleemdag. Er was immers op die dag niets te doen. Vandaar dat op sommige plaatsen het gebruik is ontstaan bijvoorbeeld een wedstrijd voor zatte hermeniekes in te richten, om uiteindelijk de dinsdagavond het kaarsje volledig te doven. In Aalst trekt op die dag de welbekende "Voil Jeanettenstoet" uit", terwijl in Maasmechelen het zogenaamde 'spietslaupen' plaatsvindt.

Men kan zich de vraag stellen waarvan het tijdstip waarop Carnavalzondag valt, afhankelijk is. Wel, het antwoord is vrij eenvoudig, Pasen. Carnavalszondag valt dus altijd 7 weken voor Pasen, of m.a.w. 7 x 6 weken = 42 werkdagen, min de maandag en de dinsdag na Carnavalszondag, dus de 40 vastendagen. Pasen valt altijd op de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart (de zogenaamde lente-evening).



Hoofdstuk 12, Carnavalsdans.

Als je in de deinende mensenmenigte van een optocht of straatcarnaval terecht komt, wordt je al vrij snel door de sfeer meegenomen en worden je bewegingen vrijer naarmate je er meer plezier in krijgt. Er wordt een kring gevormd of een polonaise samengesteld en je doet mee. Of met andere woorden, tijdens het Carnavalsfeest zelf is dit hossen (op straat) de meest voorkomende dansvorm. Maar daarmee zijn de uitdrukkingsmogelijkheden van de Carnavalsdans pas bij het begin.

In het voorseizoen zijn er veel gekostumeerde bals. Ten tijde van de Rococo en de Barok is de zogenaamde "Redoute" ontstaan. Een gemaskerd bal waarbij men zich vaak sprookjesachtig verklede. Voor velen vormde het een vlucht uit de stand waarin men geboren was. Veel Carnavalsbals vooral in Duitsland, hebben nog steeds deze allure. De dans kan ook een uiting geven aan het masker of kleding die gedragen wordt en de voorstelling die daarbij hoort. Dit kan pure energiebeleving zijn en tegelijkertijd uiting van blijdschap, opwinding, drift, aantrekkingskracht, lyrische ontboezeming of hoofse galanterie: een vormelijke ontmoeting, veel ijver en prestatie, roes, extase en trance. Bij de Carnavalsdans gaat het in oorsprong vooral om het laatste. Meestal op het ritme, toon en tekst van de Carnavalsmuziek. Deze dansen kunnen in hoge mate beeldend zijn. De verkleding gaat dan een belangrijke rol spelen. Je gaat steeds hogere eisen aan het effect stellen. De meest kundige en dansbegaafden worden naar voren gehaald. De dans wordt dan niet meer alleen beleefd door de groep, hij wordt ook getoond. Er wordt geoefend en gerepeteerd.

De uitbeeldende dans neemt een belangrijke plaats in de Carnavalssamenleving. Naarmate het vertoningelement een belangrijker rol gaat spelen komen de aspecten van virtuositeit, sensatie en show naar voor. Men wil de toeschouwer boeien en de toeschouwer wil het wonder van eigenlijk het onbestaanbare beleven: het moeiteloos en feilloos bewegen op het gegeven thema en muziek, bevrijd van de zwaartekracht. De dans wordt dan bijvoorbeeld op zittingen, show en puur amusement.

Het gaat niet meer om de Carnavaldans als de dansrollen op gezette tijden niet verwisseld worden vooral doordat mannen en vrouwen rollen dansen of doordat een parodie op de kunstige uitvoering wordt gegeven. De dans is een zo wezenlijke uitdrukkingstaal dat de hier genoemde facetten elkaar niet opvolgen, maar naast elkaar aanwezig zijn, van het Carnavalhossen tot het meest abstracte Carnavalballet. Opvallend hierbij is dat onder invloed van de reizende gezelschappen en uitwisseling van volksdansen uit Zuid-Amerika, Afrika en Azië steeds andere varianten hun intrede doen, maar dat ook de Carnavalsdans steeds internationaler wordt. Al heeft de Carnavalsdans de magische betekenis grotendeels verloren, het blijft toch een raadsel hoe hij er toch elk jaar in slaagt grote menigten in beweging te krijgen. Is dat Carnavalmagie?



Hoofdstuk 13, Ceremoniemeester.

Ook hier is geen uniformiteit. In veel plaatsen kent men de ceremoniemeester, die een wakend oog houdt op de gebeurtenissen. Hij is een soort Carnavalistisch regisseur. Hij zorgt ervoor dat alles verloopt zoals het hoort, en staat bijvoorbeeld ter gelegenheid van een zitting ook in voor de begeleiding van de artiesten naar het podium.

De nar echter is iemand die, meer dan de ceremoniemeester, zijn zegje kan doen. Men kan hem aanzien als een soort afgeleide van de buutreedner.



Hoofdstuk 14, Dansmarietjes en dansgroepen.

Een typische Carnavalsdansvorm wordt uitgevoerd door het uit het Rijnland afkomstige "Tanzmariechen". Elke zich respecterende soevereine Carnavalsstaat, met aan het hoofd een vorst of president en prins, zal in zijn parodie op de staatsvorm van alledag, zich de gelegenheid niet laten ontnemen ook het leger en de defensie te parodiëren.

In Keulen zijn deze gardes ontstaan vooral om het militarisme van de Pruisen belachelijk te maken, met een Carnavalsgroet, die de normale groet als het ware omkeert. Met een schertsleger - de garde - dat zo ongeveer alles doet, waarmee een normale compagnie zich volslagen belachelijk zou maken. Het Tanzmariechen toont duidelijk verwantschap met de Marketentster, en heeft een bont en bewogen verleden achter zich. Ongeveer een eeuw geleden, toen Duitsland over een erg groot aantal legers beschikte liepen achter ieder regiment enkele dartele meiden aan, die tijdens de dag als marketentsters de soldeniers van voedsel, versnaperingen en drank dienden te voorzien, doch eens de zon was onder gegaan, bereid waren de jongens van de troep te voorzien van andere meer vermakelijke diensten. Koopwaar moet nu eenmaal aangeprezen worden, wat betekende dat zodra de zon aan de horizon was verdwenen, de marketentsters zich in een frivoler pakje hulde, waardoor tijdens het dansen de soldaten het rijkelijk door kant omhulde achterdeel voortdurend te zien kregen. Het vervolg laten we graag aan de verbeelding over.

Hoe dan ook bepaalde onderdelen van dit dansritueel vinden we vandaag nog terug in de gardedansen van onze huidige dansmarietjes. Rond 1800 begon het er in de legers echter meer gereglementeerd aan toe te gaan. Langzaam aan werd ook de wat losse figuur van de marketentster hierin betrokken. Steeds vaker was zij "een vrouw, getrouwd aan een korporaal of soldaat", die onder meer ingeschakeld werd "tot het wasschen van het linnen", zoals een oud legerbesluit meldt. De marketentster was toen weliswaar niet meer zozeer legerhoer maar toch ook geen keurig gehuwde wasvrouw. Behalve jenever, schonk zij bij tijd en wijle ook zichzelf nog weg. In de Carnavalsspot werden zowel de officieren als de marketentster betrokken. De een door hem uit te beelden als een verwijfde, bepruikte zelfingenomen kwast. De ander door een in haar kostuum gestoken, maar overigens duidelijk herkenbare man, de Tanzmarie.

De Carnavalsverenigingen lieten zich verder in de negentiende eeuw ook inspireren door de revuegirls die men toentertijd in de theaters aantrof. Dat waren niet al te overdadig gestoffeerde jonge vrouwen, voorzien van enkele militaire attributen als piekhelmen en ransels, die in kleine groepjes uitdagende dansen ten beste gaven. De revuegirl groeide later uit tot een nachtclubachtige vedette. Het kan niet ontkend worden, dat de Carnaval met zijn Tanzmariechen, de wervelende shows die slechts in de Europese hoofdsteden genoten konden worden, heeft gepopulariseerd en ook geparodieerd.

Feit is dat aan Carnaval een "ogenstrelend" element is toegevoegd, mede door het zich snel ontwikkelende balletonderwijs. Tanzmariechen gingen hier dan steeds vaker in groepen optreden. We hebben de figuur van het dansmarietje in zijn huidige meest gekende vorm leren kennen van de tv-uitzendingen over de Carnavalszittingen van Keulen en Mainz. Het Carnaval, zeker de Rijnlandse variant daarvan, zou veel van zijn glamour missen zonder de dansmarietjes, de huppelpupkes, dansgardes, enz... De wat slonzige marketentster die achter de troepen aanzeulde, is als Assepoester, door een toverslag verandert in dit frêle zinnenprikkelende wezen. De metamorfose verliep via de tussenfase van de door mannen vertolkte Tanzmarierol.

De dansmarietjes met hun wervelende shows vormen dan ook in tal van plaatsen het dynamische en oogstrelende element in de zittingen en revues. Dansmariekes dienen jong te beginnen, zeker wanneer zij carrière willen maken. Een objectief dat niet alleen door de dansmarietjes wordt nagestreefd, maar ook vaak tot de dromen van vele ouders behoort.

Een dansmarietje van allure worden vergt training en inzet. Je moet er veel voor over hebben, en je dient vooral je zenuwen te kunnen beheersen als je aan wedstrijden deelneemt, zeker wanneer de spreidsprongen, spagaten en moeilijke figuren moeten gemaakt worden. Maar de beloning is er naar.

Dat de optredens van dansmarietjes uitnodigden tot het organiseren van vergelijkende krachtmetingen, ligt wel voor de hand. Intussen houden zich dan ook enkele Europese verbonden bezig met het organiseren van toernooien. Het is niet enkel bij dansmarietjes gebleven. Men kent daarnaast immers nog dansparen, -garden, -groepen en showgroepen. De combinatie van soorten activiteiten met leeftijdsgroepen heeft er voor gezorgd dat alles opgedeeld wordt in een aantal categorieën, zoals:

Dansmariekes - Junioren tot 11 jaar, van 12 tot 15 jaar. Dansmariekes - Senioren vanaf 16 jaar

Dansparen - Junioren (verplicht vrouw en man)

Dansparen - Senioren (verplicht vrouw en man) Garde - Dansgroepen - Junioren (man/vrouw/gemengd) Garde - dansgroepen - Senioren (man/vrouw/gemengd) tot 12 personen

Meer dan 12 personen, Showdansgroepen - Junioren (man/vrouw/gemengd)

Showdansgroepen - Senioren (man/vrouw/gemengd) Het minimum aantal leden voor een optredende groep is vijf.

Hoewel de dansmarietjes, in de hoedanigheid zoals de meeste hen kennen, gegroeid zijn vanuit de Carnavalswereld, moet er met enige teleurstelling vastgesteld worden, dat de verenigingen van dansmarietjes hoe langer hoe meer deze historische band willen verbreken, en zich eerder als een sportvereniging trachten te profileren.

Niemand zal betwisten dat dansmarietjes die aan toernooien meedoen, en hiervoor ook aan fysiek zware trainingen moeten deelnemen, perfect met een sportman (-vrouw) kunnen vergeleken worden. De spijtige en echte reden die aan de basis van dit alles ligt heeft helaas niets met fysieke prestaties te maken maar wel met de financiële kant van de zaak. Inderdaad om subsidies te kunnen ontvangen hebben de verenigingen van dansmariekes zich in Vlaanderen moeten profileren als een sportvereniging. Geld is echter een levensnoodzakelijke schakel in onze overlevingsketen, doch jammer genoeg heeft geld ook al zoveel kwaad in onze wereld aangericht.



Hoofdstuk 15, Elf, narrengetal of een magisch getal.

Het getal elf speelt een ontegensprekelijk een belangrijke rol in het Carnavalsgebeuren. Wat De meningen hieromtrent zijn nogal erg uiteenlopend, in die mate zelfs dat de ene verklaring vaak zelfs niets met het andere te maken heeft. Anderzijds staat het cijfer elf niet alleen centraal in het Carnavalgebeuren, maar heeft het door de eeuwen heen een soort mystieke en magische waarde opgebouwd. Vandaar dat we in deze rubriek het cijfer elf niet alleen beschouwen van de hoek "Carnaval" maar in zijn algemeenheid. Wij hopen echter dat u na het lezen van de talloze verklaringen het noorden niet helemaal kwijt bent. Is het een gekkengetal of een zondegetal?

Het getal elf wordt in onze contreien, meer bepaald België, Nederland en vooral Duitsland aanzien als een gekkengetal (die Narrenzahl). De Duitsers spreken soms ook over "Schnapszahl". De Engelsen toch ook een Germaanse taal kennen daarentegen de elf niet als "fool's number", wat evenmin het geval is in de Romaanse talen.

Een van diegenen die zich daar over gebogen heeft, en wel vanuit de optiek "Vastenavond", is de Duitse volkskundige D.R. Moser. Volgens Moser is het getal elf het getal van de zonde, de gek, de nar, de duivel, ... De "belendende" getallen 10 en 12 echter hadden een zeer bijzondere status Elf betekend immers het overschrijden van het heilige getal tien. Het getal van de tien geboden. Elf werd dus aanzien als een teken van zonde. Schiller schreef nog: "Elf is een boos getal”. Ook in de Bijbel is 11 een negatieve grootheid. Elf is immers één minder dan twaalf, dat eveneens een heilig getal is, denken we maar aan ons twaalfdelig stelsel dat we gebruiken in tijdsaanduiding (uren en maanden). We kennen de is hiervoor de juiste reden, of waar ligt de oorsprong?

twaalf artikelen van het geloof, en de twaalf apostelen. Toen Judas verraad pleegde was er eentje minder, en werd Matthias snel gekozen om de twaalfde plaats terug in te nemen. En van de twaalf stammen van Israel raakte er eentje zoek.

Dit alles wijst er dus op dat het getal elf al zeer vroeg een bijzondere, maar tevens een kennelijk negatieve betekenis had. In de getallenleer was 11 een vreemd getal; een priemgetal (=ondeelbaar) waar men niet goed raad mee wist. Voor dobbelaars (spelend met twee dobbelstenen) is 11 het getal. Wie 12 werpt heeft de pot. Maar met 11 sta je er ook goed voor. Is het getal Elf belangrijk geworden omdat 11 november, de 11de van de 11de dus, een belangrijke datum was? Het was tenslotte exact 40 dagen voor Kerstmis (40 is een heilig getal) en de feestdag van Sint-Martinus, de heilige aan wie ongelooflijk veel kerken gewijd zijn. Eeuwenlang was 11 november de dag, dat het jaarwerk geacht werd afgesloten te zijn. De schuren zaten vol, als de oogst tenminste goed was geweest, de wijnoogst was binnen en - zeer belangrijk - de pacht en de belastingen moesten worden betaald. Vooral de pacht, de cijnzen, de verpondingen, de vele renten en niet te vergeten, de tienden drukten zwaar, zeer zwaar op de bevolking. Een jaar lang van schrapen, zuinig zijn en elke cent die binnenkwam opzij leggen, kon worden afgesloten en na betaling op 11 november was men daar tenminste weer voor een jaar vanaf.

De kinderen kregen die dag lekkers, er werd eten en kledij aan de armen en de bedelaars gegeven, de zieken kregen iets extra's want er was reden voor uitgelatenheid en vreugde. En 's avonds puilden de herbergen uit, want er werd op de elfde van de elfde heel wat weggespoeld. Geen wonder dat velen daags na dit feest behoorlijk leden aan "mal de St.Martin", de klassieke stevige hoofdpijn te wijten aan overmatig drankgebruik.

Diverse pausen hebben zich in het verleden zeer nadrukkelijk met de Vastenavondviering ingelaten. Ze organiseerden synodes met betrekking tot vasten en Vastenavond. Ze deden met wagens mee aan optochten, vaardigden speciale collectes uit, enz … Van Paus Martinus V, gekozen op 11 november 1417, is bekend dat hij de bijnaam "Papa Carnavale" droeg, en dat was niet vanwege het feit dat hij op 11 november tot paus werd verkozen, maar wel omdat hij vond dat Carnaval te kort duurde.

Met deze datum opende tevens de periode waarin de huisslacht was geoorloofd en die eindigde met de vasten. Vanuit de 11de van de 11de werd bijna 400 jaar geleden overigens de Vastenavonddatum berekend. In het kalender Calendarium Historicum van 1594 gebeurt dit als volgt: vanaf de dinsdag in de op de 11de van de 11de volgende week waarin het nieuwe maan is, duurt het nog 13 weken tot het Carnavalsdinsdag is. Komt elf van elfen? of van alfen? Dit zijn, naar oudgermaanse opvatting, een soort geesten; mogelijk zelfs de nog niet verloste zielen van overleden voorvaderen, waarmee de generatie van jongvolwassenen - via de initiatierituelen tijdens de lentefeesten - contact probeerde te leggen. Aan het hoofd van dit leger (Heer) van elfen, zou de elfenkoning, de Erlenköning, de Harlekijn hebben gestaan. (Alfen betekent ook schertsen, iemand beetnemen).

Het is bekend dat in vroegere tijd belangrijke instituten als gilden al besturen hadden die uit 11 personen bestonden. Wie weet kwam dat omdat een belangrijk personage zich graag met 10 wijze raadgevers omgaf. Dit leidt trouwens tot een plezierige symmetrische opstelling.

In het bekende boek Werelden in botsing zegt E. Velikovski dat omstreeks het begin van de 7de eeuw voor Christus de omloop van de aarde t.o.v. de zon evenals van de maan t.o.v. de aarde door een kosmische ramp is veranderd; daarvoor verdeelden tal van volkeren het jaar in 10 of 11 maanden, terwijl een joods lied uit die tijd dat op seideravond wordt gezongen, spreekt over de 11 sterrenbeelden van de dierenriem.

Ofschoon aan bepaalde historische data een oeridee omtrent getallen ten grondslag kan liggen, kan ook het omgekeerde het geval zijn. Zo is bekend dat de oudste Geckengesellschaft werd opgericht door graaf Adolf van Kleve in 1381 en wel op de 12de van de 11de. Alles wijst er op dat het stichtingsfeest van de 11de kennelijk lichtelijk uit de hand is gelopen, zodat de ondertekening een dag te laat plaats vond. Opvallend is ook dat het zegel van de graaf (alle anderen waren ook van adel) de 11de plaats inneemt in de rij van de 35 zegels. En daarmee zijn we er nog niet. Het devies van dit adellijke narrengezelschap luidde: "EyLustigh Fröhlich". Dat kan toch allemaal geen toeval zijn.

Het getal elf zou, zo is ook al beweerd in verband kunnen staan Napoleonitische "Code Civil". In het hoofdstuk 11 daarvan stond immers "De volwassene, die lijdt aan krankzinnigheid, waanzin of razernij moet onder curatele behandeling gesteld worden, zelfs als in de toestand af en toe een verbetering optreedt. Hoogstens een verklaring waarom deze problematiek onder dit hoofdstuk wordt behandeld, en niet in een ander. Elf zou ook kunnen komen van de beginletters van het devies van de Franse revolutie, Egalité, Liberté, Fraternité. Leuk bedacht maar de officiële is wel Liberté, Egalité, Fraternité.

In Dülken bestaat de fameuze Narrenakademie. Men vertelt een boeiende geschiedenis over de oprichting. Die zou te danken zijn aan een elftal Akenaren, dat aan de dwaasheden van zijn tijd niet wenste mee te doen en om die reden gedwongen was buiten de stadsmuren een verblijfplaats te zoeken. Die vond men in een bouwsel met 11 ramen. Toen de elf daar ook niet met rust gelaten werden, verplaatsten ze zich - op stokpaarden - naar Dülken, waar ze in de molen aldaar onderdak vonden. In Aken lag tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog nog steeds een boerderij die de naam "elf gecken" droeg en al sinds 1584 bekend is.

In de wereld van de bouw en de architectuur duikt het getal elf met zijn symboliek ook veelvuldig op. Zo werden bijvoorbeeld de eerste huisjes voor krankzinnigen gegroepeerd in aantalen van elf "elf dolhuyskens". Er kan eveneens vastgesteld worden dat boogbruggen nogal eens 11 grote steenblokken tellen, of 11 speciaal versierde steenblokken. Dat deze centrale elfde steen "de gek" wordt genoemd, zal allicht niemand verbazen. Iedereen heeft ongetwijfeld al de uitdrukking gehoord "Ter elfder ure". Als men schilderijen uit de middeleeuwen bekijkt zal men heel vaak kunnen vaststellen dat de grote wijzer (in die tijd hadden de klokken trouwens slechts één wijzer) naar elf wijst. Wat betekende "laatste waarschuwing", "memento mori". Het was de aanmaning om het leven te beteren, een laatste kans in de richting van een ommekeer. Zij die destijds hun verplichte legerdienst hebben "geklopt" kennen ongetwijfeld de uitdrukking "op de elfurenmis moeten verschijnen", wat meestal betekende dat men voor de bevelhebber diende te verschijnen om één of andere straf of vermaning op te lopen. Het verklaart ook waarom tot het elfde uur (dat was in Israël in die tijd overigens het vijfde uur in de namiddag) arbeiders in de wijngaard werden toegelaten.

De uitdrukking "Het is vijf voor twaalf”, die allicht ontstaan is na de invoering van de kleine wijzer heeft in feite dezelfde betekenis, omdat ook dan de grote wijzer naar elf wijst. Kortom het cijfer elf wijst er duidelijk op dat er iets mis is, zelfs in het voetbalspel waar een trap vanaf de elfmeterstip eveneens het gevolg is van een fout in het spel.

Echte Carnavalisten zullen er echter niet van overtuigd worden dat er met Carnaval eigenlijk iets verkeerd of mis is. Tijdens de Carnaval is het echter wel anders dan normaal.

Tenslotte lijkt het de moeite waard aandacht te besteden aan de sterke taalkundige overeenkomst tussen het getal elf en de Carnavalsschlachtruf " Alaaf". In talen die geen medeklinkers kennen, zouden ze zelfs gelijk zijn.



Hoofdstuk 16, Foekepot.

Een foekepot (ook wel rommelpot genoemd) is een instrument, waarmee een heidens kabaal verwekt kan worden. Het is trouwens een instrument dat al bestond tijdens de middeleeuwen. Bewijs daarvan is de afbeelding op één van de schilderijen van Pieter Breughel.

Het bestaat uit een blik of bus, deels gevuld met water, waarover een varkensblaas werd gespannen en waar doorheen een rietstengel wordt geprikt. Door met de natte hand over de rietstengel te wrijven, en op en neer te bewegen, ontstaat een fel brommend geluid. Op de kadans van dit eentonig geluid trekken vooral kinderen maar ook andere deelnemers, tijdens de Carnavalsdagen al zingend van deur tot deur met de bedoeling levensmiddelen, maar ook geld te verzamelen. In het Limburgse Kessenich bestaat dit gebruik nog steeds, en ziet men op Verloren maandag de kinderen samen met de Prins en de Raad van Elf door het dorp trekken al zingend "Foekes, foekes rommelpot, géf mich e stuk van de verkesvot, loat de mèskes zinke, op de bloete schinke, eder schinksk weugt e pondj, vader en moeder blieft gezondj".



Hoofdstuk 17, Grabbles.

Het grabbeles is een gebruik dat schijnbaar uniek is voor het Tongerse Carnaval. Van op de pui van het stadhuis worden door de prins en de jeugdprins snoep en broodjes naar de grijpgrage kinderhandjes, maar ook volwassenen, "te grabbel" gegooid. Het zijn echter hoofdzakelijk de suikerbroodjes die men tracht te bemachtigen, omdat er muntstukken in verstopt zitten die de kinderen uiteraard kunnen gebruiken om zich te vermaken op de kermisattracties die op de grote markt opgesteld staan.

Dit grabbeles is uiteraard een variant op wat men op vele andere plaatsen een "worp" noemt. Denken we maar aan de Ajuinworp in Aalst, de Varkensworp in Zaventem, en zovele andere.



Hoofdstuk 18, Masker.

Wat betekent het woord masker. Daarover bestaat geen eensgezindheid Het zou stammen van het Arabische woord maskara, wat "grappen maken" of "nar" betekent. Het blijkt ook een oorspronkelijk Germaans woord te zijn "maskô(n)". De betekenis hiervan zou zijn geweest "heks of demonisch wezen".

Een masker is een min of meer naar de vorm van het gezicht gemaakte bedekking die dient om dit onherkenbaar te maken of er een bepaalde gedaante of uitdrukking aan te geven, een nagemaakt gezicht. Men spreekt ook wel eens van een mombakkes. Het masker is een van de oudste cultuurvoorwerpen van alle tijden en alle volken. Bij heelwat volkeren gold en geldt het masker als een heilig voorwerp.

In de volkskunst houdt het masker ongetwijfeld verband met de vruchtbaarheidscultus en afweerrite. Vooral de Alpenlanden zijn op dit vlak bekend om hun maskers, die thans vrijwel alleen nog gedragen worden tijdens de Carnaval. Binnen ons eigen in Vlaanderen, waar het vermommen of het dragen van een masker tijdens de Carnaval eveneens een vrij oud gebruik is, stellen we vast dat deze traditie stilaan wegkwijnt en men eerder kiest voor een alternatief, namelijk het grimmeren.

De zienswijze dat het masker ooit nog gediend zou hebben om demonen de stuipen op het geestenlijf te jagen blijft een open discussie.



Hoofdstuk 19, Maskerade en grimeren.

De mens wil blijkbaar af en toe in een andere huid kruipen. Men kan over deze behoefte lang en uitvoerig filosoferen. Doch wat ligt er aan de basis? Voelt de mens zich 362 dagen in het jaar niet op zijn gemak, of is er alleen met de drie dagen Carnaval iets mis? Het is niet de bedoeling om hierop nu een antwoord te vinden. Een feit is dat binnen het kader van de algemene Carnavals-omkeerrituelen men zich een ander gezicht "aanmeet" om een totaal andere persoonlijkheid te worden.

Van oudsher is bekend dat de mens zijn gezicht maskeerde. In bepaalde gevallen was het zelfs zo, dat het masker de theaterspeler van pas kwam. Zijn stem moest immers tot in de uiterste hoeken Het masker had nog een andere functie: men moest de trekken van de speler over een grote afstand kunnen waarnemen. En dus was de maskerade van dien aard, dat ze overeenkwam met het type dat gespeeld werd, wat overdreven is in zijn mimische toepassing, waardoor men door de overaccentuering ook verder van de Bühne gezeten het "gezicht" van de speler kon waarnemen.

Eén functie van het masker is vaak wat eenzijdig benadrukt en dat is namelijk de wens zich te kunnen verschuilen achter het masker. Zichzelf zogezegd anoniem willen maken voor anderen. Het ging er daarbij om dat men niet alleen het lichaam wil maskeren, doch ook een beetje de ziel. Feit is overigens dat maskarade ( is een optocht of een feest van gemaskerde) in het Carnaval niet meer zo bijster veel voorkomt. De verklaring hiervoor is niet zozeer te zoeken in het feit dat vanaf de vroegste tijden kerkelijke en burgerlijke hoogwaardigheidsbekleders aan de lopende band verbodsbepalingen betreffende maskerade uitvaardigden.

Het gestelde doel van de maskerade en je gezicht veranderen bestaat er in om voor jezelf maar ook voor anderen op een leuke en aardige wijze voor de dag te komen. Dat kan bekomen worden via het schminken of grimeren van je gezicht. Inderdaad, de meest boeiende effecten kunnen worden bereikt, variërend van de een ieder bekende clown tot de ook bij velen bekende grimmige heksen en boze geesten. Kortom het gehele spectrum dat hetzij de charmes dient te onderstrepen ofwel weg te moffelen. Wat dit laatste ook moge zijn.

Geluidsinstallaties waren er nog niet. Dus werd het masker zo geconstrueerd, dat het als een soort luidspreker kon fungeren.



Hoofdstuk 20, Benamingen.

Carnaval is een feest gericht op het contrast en het veilig stellen van eigen identiteit. Het benadrukken (hoe kan het anders) dat men als plaats, hoe klein ook, zeer belangrijk is. Men gaat zover - en chauvinisme is uiteraard hier niet vreemd aan - dat men meent een eigen prins te moeten hebben, een eigen bestuurscollege (raad van elf), enz...

Het gebeurt zelfs, en dat is vooral in Nederlands-Brabant gebruikelijk, dat men de naam van de stad of de gemeente tijdens de Carnavaldagen omdoopt, en waar de landkaart een ware metamorfose ondergaat Zo worden bijvoorbeeld Den Bosch "Oeteldonk", Bergen op Zoom "Krabbegat", Zwolle "Sassendonk", enz...

Men kan vaststellen dat al die plaatsen zich wensen te kleineren. Men is een donk, een gat (nog kleiner dan een gehucht). Maar... het gebeurt als omkeerritueel en ter meerdere eer en glorie van de plaats zelf. Kortom een soort van onmiskenbare onderstreping van de plaats waar men zo graag minimaal drie dagen in het jaar een maximum aan chauvinisme pleegt.

Behalve de feitelijke aanduiding en het zich daarbij veelal tooien met scheldnamen, kan vastgesteld worden dat bij naamgevingen vaak wordt teruggegrepen naar spotnamen, diernamen, enz..., meestal plaatsgebonden . Daarnaast wordt de groep aanzien als een gilde, een ridderorde, enz waardoor je dus soms erg ludieke benamingen krijgt zoals Gilde van de Maanblussers (spotnaam voor de Mechelaars), of de Ridders van de Katteköp (een typische appelvariëteit, maar ook een gebak, uit de fruitstreek tussen Tongeren en Borgloon), of de Orde van de Garnalen (Oostduinkerke bekend om zijn garnaalvissers), enz...

Man kan ook vaststellen dat de wijze waarop namen worden gekozen vaak ook streekgebonden zijn; "Ridderorden" zal men bijvoorbeeld vaker tegenkomen in de streek van Haspengouw, terwijl de "Gilden" meestal terug te vinden zijn in de Antwerpse Kempen.



Hoofdstuk 21, Onderscheidingen.

Militairen en hoogwaardigheidsbekleders houder er van hun kloeke borsten te versieren met onderscheidingen, medailles en eremetaal. Onderscheidingen die zij verworven hebben op grond van uitzonderlijke feiten, gebeurtenissen of prestaties. Als afgeleide daarvan worden in de Carnavalmiddens eveneens tal van eretekens uitgereikt aan diegenen die zich op de een of andere wijze verdienstelijk hebben gemaakt, hetzij voor de vereniging, hetzij voor de prins, hetzij op een andere wijze maar dan altijd in relatie met Carnaval.

Binnen FEN bestaat bijvoorbeeld de traditie betreffende het uitreiken van de Zilveren Nar, de Gouden Nar, en de Euronar, aan verdienstelijke leden van aangesloten verenigingen. Eén ding hebben ze echter gemeen. Ze zijn fel begeerd en ze zijn in oorsprong eigenlijk afgekeken van de overdreven drang naar onderscheiding in de Pruisische militaire kringen. Dus ook hier is er sprake van persiflage.

Het verschijnsel is al vrij oud. Vele jaren geleden kende men in Keulen al Carnavalonderscheidingen, de eerste zelfs uit karton. Tegenwoordig is hieromtrent een grote industrie ontstaan die vaak prachtige eretekens op de markt brengt, met de bedoeling de ijdelheid van het individu te onderstrepen. Ook in Frankrijk kende men al in vroege tijden Carnavalonderscheidingen, tot zelfs in de Franse nederzettingen zoals New Orleans.

Feit is dat ook in de Carnavalwereld de onderscheidingen als een vereremerking dienen aanzien te worden, die bij wijze van verdienste uitgereikt worden en aldus ook een bepaalde, al dan niet, sentimentele waarde hebben.

Jammer genoeg, en dit mag ook wel eens gezegd worden, zijn er in de Carnavalwereld personen die de ongeschreven wetten hieromtrent niet respecteren, waardoor aldus de waarde van bepaalde waardevolle onderscheidingen in de loop der jaren sterk is afgenomen. Wat uiteraard spijtig is voor diegenen die de onderscheiding wel op grond van de gebruikelijke normen mochten ontvangen.



Hoofdstuk 22, Optochten.

Het optochtgebeuren is het meest essentiële element in de Carnavalsviering.

Immers over één zaak kan men bezwaarlijk discussiëren. Een volgroeid Carnaval zal, dat hoort nu eenmaal bij het wezen van dit feest, veel naar buiten treden, wil men zich manifesteren aan iedereen.

"Carnaval is een expansief feest" zei eens de grote Van Duinkerken. Het gedijt niet, althans niet echt, in de beslotenheid van zalen. Maar niettemin heeft alles zijn tijd nodig.

Een optocht is een merkwaardig fenomeen, het opperste bewijs van de betrekkelijkheid der dingen.

Arbeid van maanden, uitgevoerd en bewerkt door zovele handen, levert een oogstrelende show op voor duizenden en duizenden, en dit vaak voor slechts enkele uren. Hoewel een stoet meestal vertrekt van een bepaald punt naar een plaats van aankomst, trekt hij eigenlijk van niets naar nergens. Alleen het samen onderweg zijn telt. Het publiek vormt daarbij een veel wezenlijker bestanddeel dan men zich vaak realiseert. Het zijn niet zomaar toeschouwers. Neen, het zijn levende dijken langs de Carnavalstroom. Een boeiende optocht tussen niet-meelevende en niet verklede toeschouwers verschraalt tot een armtierige corso. De optocht mag dan wel van niets tot nergens gaan, hij heeft wel iets te zeggen. Heel wat wagens dragen vaak ook een duidelijke boodschap uit. Liefst in het dialect. Een optocht die te veel concessies doet om door toeristen begrepen te worden, waarbij Nederlandstalige opschriften de plaatselijke taal verdringen, zullen spoedig veel van hun charme verliezen.

Dat is ook het geval wanneer optochten bestaan uit teveel Prinsenwagens, omdat behalve de plaatselijke prins, ook vaak andere hoogheden in de optocht meetrekken.

Een ander verschijnsel waar de aandacht op gevestigd mag worden, is dat steeds kostbaardere wagens gebouwd worden om in meerdere optochten te kunnen meerijden. Zolang dit binnen de perken blijft stellen er zich in principe geen problemen. Men moet er wel zorg voor dragen dat de optocht uit zoveel mogelijk groepen van eigen bodem de stoet vormen, zodat deze op een humoristische manier kunnen inspelen op de plaatselijke toestanden. De meeste optochten vertrekken omstreeks 14u11. Voorafgaandelijk stellen de vele Carnavalsgroepen, wagens, en muziekmaatschappijen zich op bij de vertrekplaats. Het is vaak een nogal nerveuze bedoening. De laatste hand wordt gelegd aan de wagens, stoetverantwoordelijken lopen driftig op en neer met walkie-talkies, majorettes staan te trappelen om zich warm te houden, enz... Ook groepen in de bontste klederdrachten - van origineel tot humoristisch van prachtig tot lachwekkend - gaan zich formeren.

En laten we ze niet vergeten, de onmisbare solisten, die Einzelgänger, de Carnavalsindividualisten van het zuiverste ras, die als het ware de gaten opvullen. Zij vormen de lijn die het geheel bij elkaar houdt, staan oog in oog met het publiek en hebben er ook het meeste voeling mee. Het is hetzelfde contact dat de bewoners van de hogere etages via serpentines en confetti tot stand proberen te brengen met de wagens en de groepen. Deze laatste opmerking maakt tevens duidelijk dat juist in smalle "hoge" straten de meest intense optochtsfeer ontstaat.



Hoofdstuk 23, Pluimen.

Het dragen van pluimen op een Carnavalshoed behoort tot de tradities binnen Carnaval, meer bepaald daar waar de invloeden van het Rijnlandse Carnaval zich hebben laten gelden. Carnaval wordt echter, zoals vaak wordt gezegd, geregeld via de ongeschreven wetten. Vandaar allicht dat de gebruiken van regio tot regio, zelfs van plaats tot plaats, ook wel eens behoorlijk kunnen verschillen.

Wat het dragen van pluimen betreft wordt evenwel algemeen aangenomen - uitzonderingen zijn er immers altijd - dat de prins "drie" pluimen op zijn hoed draagt. De ex-prinsen, samen met de voorzitter dragen dan twee pluimen, terwijl de effectieve leden van de Raad van Elf "één" pluim dragen.

Aangezien de grootvorst de prins is die de langst geleden prins was en nog actief is in de vereniging, draagt ook hij "twee" pluimen.

De pluimen worden links van de steek gedragen.



Hoofdstuk 24, Prins, Prinses,...

Principieel zijn er twee varianten te onderscheiden, namelijk deze die in het geheim door de leden van de Raad van Elf aangezocht worden om gedurende één jaar de functie waar te nemen. In dat geval maken de leden van de Raad van Elf dus zelf de keuze, en zullen alles in het werk stellen om een zo geschikt mogelijke kandidaat uit te kiezen. Vanaf dan worden in het geheim alle voorbereidingen getroffen, zoals de aankoop van het prinsenkostuum, de uitrusting van de prinsenwagen, enz... om vervolgens de prins officieel aan het publiek voor te stellen tijdens de zogenaamde Prinsenaanstelling. Eenzelfde ritueel bestaat voor de prinses, de jeugdprins en de jeugdprinses.

Een tweede variant vindt men terug op een aantal plaatsen in Vlaanderen, onder meer in Aalst, Halle en nog enkele andere, waar de prins nog daadwerkelijk wordt "verkozen". Elke kandidaat prins dient dan, net zoals een politicus een campagne te voeren om zijn kandidatuur te verdedigen, en dient uiteindelijk op de avond van de "prinsenverkiezing" zelf, gedurende een vooraf bepaalde tijd, een show op te voeren. Deze opvoering wordt zowel beoordeeld door een jury bestaande uit Carnavalspecialisten als door de publieksjury. De kandidaat die tenslotte het meeste punten weet te vergaren wordt uitgeroepen tot de Carnavalprins van het jaar. De verkozen prins heeft vanaf dat moment enkele weken de tijd om zich voor te bereiden op het grote feest dat hem te wachten staat, vooral de Carnavalstoet.

In de rand kan ook vermeld worden dat in Vlaanderen enkele initiatieven bestaan om naast de lokale prinsen (en prinsessen) ook nog nationale, provinciale en regionale prinsen aan te stellen. Een dergelijk initiatief vindt men eveneens terug over de aanstelling van een Europaprins.

En tenslotte nog te vermelden dat op sommige plaatsen de traditie bestaat om een keizer aan te stellen. In principe is dit een persoon die driemaal de titel van prins heeft gedragen.



Hoofdstuk 25, Prinsengarde.

In de plaatsen waar sprake is van een Vastenavondviering volgens de Rijnlandse formule vertoond het Carnaval, in al zijn facetten, militaire trekjes. De Carnavalstaat is in talrijke opzichten een humoristische parodie op "das Militär", zoals de Rijnlander het zegt.

Vandaar dan ook dat vorsten en prinsen zich soms doen escorteren door een miltair aandoende garde. De Prinsengardes hebben veelal een uitbeelding of kostumering die naar de echte vroegere garden verwijzen. In het Rijnland kent men bijvoorbeeld de Rote Funken en de Blaue Funken met hun fraaie koperkleurige "helmen", schitterende pruiken, enz…Het hiervoor besproken dansmarietjes behoort in feite bij deze formatie thuis. Zij werd lange tijd (tot in de jaren '30) gespeeld door mannen. Beroemd geworden is de parodistische dans het Stippeföttche.



Hoofdstuk 26, Proclamatie.

De proclamatie en de buut zijn net zo oud als het Carnaval zelf. Want om massaal de maatschappelijke orde op zijn kop te kunnen zetten en de rollen om te draaien is een algemene bekendmaking door het voorlezen, uitroepen of verspreiden, voor een publieke instemming, in oorsprong noodzakelijk.

Zoals in een staat, wanneer er een nieuwe regeerperiode aanbreekt, volgt een soort troonrede, waarin de nieuwe machthebber zijn hele titulatuur aan het volk meedeelt en verkondigt wat hij tijdens zijn regeringsperiode wil verwezenlijken. Het zal wel niet al te veel verbazing wekken, dat proclamaties nogal eens bestaan uit... 11 punten.

Bepaalde delen van het land veranderen daarenboven in de Carnavalstijd in staten, rijken, vorstendommen, narrendommen, enz... terwijl elk van deze "staten" een Prins heeft, die dan via een proclamatie van 11 punten aan het volk laat weten hoe hij zal regeren.

Inhoudelijk hoort een dergelijke proclamatie uiteraard boordevol humor, grappen en ironie te zitten, vooral dan met de bedoeling bepaalde plaatselijke toestanden op een lachwekkende wijze voor te stellen. Het zal geen verwondering wekken dat de Prins, als nep-vorst zich bij deze proclamaties meestal laat leiden door "de omgekeerde waarheid" of het bedenken van steeds nieuwe varianten op de Carnavalsgeboden. Proclamaties zijn vaak ware pronkstukken van taalcreativiteit.

Proclamaties worden niet alleen opgenomen in de Carnavalskrant, doch worden soms ook verspreid in affichevorm en opgehangen in alle winkels en horecazaken.

De "regeringsverklaringen" zijn niet zelden ware getuigenissen van taalcreativiteit. Een voorbeeld hiervan is de volgende uitspraak "De kerels die het gehele jaar een masker op hebben, worden uitgenodigd het met deze dagen af te zetten."



Hoofdstuk 27, Raad van Elf.

De Carnavalsviering is in feite plaatsgebonden, een lokaal gebeuren. Een stad, dorp, gehucht verandert in een rijk, dat bestuurd moet worden. Daarvoor met men beschikken over een schertsregering, de zogenaamde Raad van Elf. Een uitdrukking die zich beperkt tot de West-Europese Carnavalscultuur. In feite zijn het de elf adviseurs van de president, de vorst, de voorzitter, of m.a.w. de persoon die de leiding heeft. Wat dus concreet betekent dat de feitelijke leiding in handen is van twaalf personen. Wat klopt er in Carnaval wel?

Anderzijds is Carnaval het feest van de vergankelijkheid. Een enorme inspanning wordt geleverd voor iets zeer kortstondigs. Een optocht waar maanden aan gewerkt wordt, met een levensduur van slechts enkele uren. Een prinsencarrière die in theorie weliswaar één jaar duurt, maar praktisch slechts enkele dagen intens beleefd wordt. De werkelijke regeringsperiode begint immers met de overhandiging van de stadssleutel en eindigt op dinsdagavond of dinsdagnacht. Maar om zo een feest te kunnen organiseren is een continu element nodig. Dat is de Raad van Elf, de leutige ploeg met alle daaraan toegevoegde werkgroepen. De leiding daarvan kan zeer verschillend zijn, al naargelang men de representatieve taak en de feitelijke leiding al of niet in één hand heeft gehouden. Is dit niet het geval dan kent men vaak naast de voorzitter een president of een vorst.

Wat de feitelijke oorsprong van de benaming "Raad van Elf" betreft dienen we mogelijk terug te gaan naar het Hertogdom Brabant in de vijftiende eeuw. Zoals bekend bestond het huidige Nederland en België in de middeleeuwen uit een aantal hertogdommen, graafschappen, heerlijkheden, enz... Een van die hertogdommen was het grote en roemrijke Hertogdom Brabant, dat bestond uit de huidige provincies Noord-Brabant (NL) en de provincies Antwerpen en Brabant (B). Toen de Brabantse hertog Antoon van Bourgondië in 1415 in de slag bij Anzicourt sneuvelde, kwamen de afgevaardigden van de zeven oudste Brabantse steden en de vier grootste abdijen van Brabant bijeen. De hertogin-weduwe mocht niet in aanmerking komen voor de opvolging, wegens haar rechten op Luxemburg. Wel had zij twee zoontjes, waarvan de oudste Jan, nog maar elf jaar was. Op 4 november besloten de Staten deze jongen te erkennen als Hertog van Brabant en, dat het dagelijks bestuur diende waargenomen te worden door de "Raad van Elf" De benoeming van deze raadsleden van de "Raad van Elf" is zeer waarschijnlijk in de daarop volgende week gebeurd, dus op of rond 11 november.

Later is deze Raad van Elf nog meer malen opgetreden en de jonge hertog van advies gediend en hem zelfs voor een tijd vervallen verklaard als Hertog van Brabant ten gunste van zijn jongere broer.



Hoofdstuk 28, Spietslaupen.

Het spietslaupen op Vette dinsdag is een gebruik dat we terugvinden in Maasmechelen. Vanaf 10 uur doen de leden van de plaatselijke Carnavalsvereniging De Zavelzekskes op Vette dinsdag hun ronde met een spiets, een scherp gepunte stok. Hierop zit spek vast gestoken. Op de begeleidende wagen worden boerhammen met gebakken eieren en spek klaargemaakt. Deze lekkernij wordt uitgedeeld aan de voorbijgangers die de gulle gevers al dan niet vergoeden met een bijdrage. Met de opbrengst van het spietslaupen kopen de Zavelzekskes kleine geschenkjes voor zieken en bejaarden.



Hoofdstuk 29, Titels.

Wanneer je de bonte wereld van het Carnaval doorloopt dan kom je heel wat titels en benamingen tegen. In principe wordt een vereniging geleid door de Raad van Elf met aan het hoofd een voorzitter. Dit is wat men strikt genomen de juridische structuur zou kunnen noemen. Echte Carnavallisten hun neus staat echter altijd in de richting van de kolder, de humor, de ironie, terwijl ze daarnaast ook steeds een stevige portie verbeeldingskracht in huis hebben. Je mag je er dan ook aan verwachten dat op die plaatsen waar het Rijnlandse Carnaval, met zijn specifieke parodieën op "das militär", borgt staat voor ronkende titels.

De titel van voorzitter wordt aldus wel eens "vorst", "commandeur", "opper", enz...

De titel "president" komt zeker in Vlaanderen minder voor dan in Duitsland en Nederland, waar deze titel in feite wordt toegekend aan de persoon die op zittingen en dergelijke de woordvoerder (speaker, conferencier, ...) is. Hij "presideert" zoals men dat heet de zitting.

De titel van "grootvorst" is bestemd voor de oudste prins die nog actief is in de vereniging.



Hoofdstuk 30, Verenigingen.

De structuur van verenigingen die Carnavalsvieringen organiseren loopt zeer uiteen, hoewel er eigenlijk twee hoofdvarianten kunnen onderscheiden worden.

Indien de viering Rijnlandse trekken vertoont, dan is er in het algemeen sprake van een wat strakkere organisatie, met een wat militaire stijl van uitvoering, en een verticale structuur bestaande uit groepen, commissies, e.d.

Ook qua kleding of uitbeelding is het over het algemeen wat deftiger en chiquer. Niet zelden zijn de leidinggevenden afkomstig uit die gelederen die in de gemeenschap een eerste viool spelen. En vroeger was het heel normaal dat diegenen die de processies of heiligdomvaarten organiseerden, dezelfde mensen waren die in februari/maart de Carnavalsoptochten leidden en organiseerden.

De tweede variant is van Bourgondische herkomst. De kleding is in het algemeen eenvoudiger van aard. Men neemt er wat minder afstand en het gaat er gemoedelijker aan toe. Maar altijd geldt dat er voor een behoorlijke viering - met allerlei activiteiten verdeeld over een seizoen dat uitmondt in drie dolle dagen - hard gewerkt en veel georganiseerd moet worden. Er zullen in het algemeen naast het bestuur commissies zijn voor onderdelen van het programma.

Een eenheidsmodel bestaat er dus niet. Men kan zeggen dat er verenigingen zijn, die een eigen Prins hebben (naast vorst, voorzitter, Raad van Elf, enz...) Maar... zij houden zich aan een bepaalde buurt of wijk. Bij de grotere manifestaties schaart men zich onder het vaandel van de grote vereniging met een stadsprins. Bepaalde verenigingen zijn zelfs rechtstreeks ontstaan vanuit het stads- of gemeentebestuur. Zij verzorgen dan het grote programma en leveren meestal de stadsprins.



Hoofdstuk 31, Vrouwencarnaval.

Het vrouwencarnaval wordt onder diverse benamingen (Weiberfastnacht in het Rijnland) gevierd op donderdag voor Carnaval. De dames (meestal verkleed als oude wijven) gaan uit zonder mannen. De vrouwen spelen dan de baas. Ze laten zich niets door de mannen zeggen; er worden zelfs klopjachten op mannen gehouden terwijl mannen zich dan niet zonder risico kunnen vertonen.

Het verschijnsel mag gezien worden als een soort van emancipatiedrang, omdat de vrouw nooit een echte rol van betekenis speelde in Carnaval. Uitzondering waren de dansgardes en hun dansmarietjes, en hier en daar een page of een prinses.



Hoofdstuk 32, Vrouwenluiverkoop.

Een uitgestorven, maar zeer eigenaardig volksgebruik uit Maaseik was de "vrouwluiverkoop". Op Vastenavondmaandag kwamen eertijds ongehuwde jongemannen bijeen in een zaal of herberg, waar een "notaris" en "klerk" met verkoopsregister, pen, inkt en jeneverfles hen opwachten. De leiding van de verkoop lag in handen van de ouderdomsdeken van de jonggezellen. Dan begon de verkoop van alle vrouwelijke ongehuwde "vrouwlui" en weduwen van het dorp. Door de hoogte van zijn bod kon de jongeman de omvang van zijn liefde kenbaar maken voor de afwezige aanbedene.



Hoofdstuk 33, Wagenbouw.

Het bouwen van echte Carnavalwagens is een traditie die helaas slechts op een beperkt aantal plaatsen kan teruggevonden worden. In Vlaanderen zijn de omgeving van Aalst en Halle daarvoor ongetwijfeld de meeste bekende, en vertonen ze beiden eigenlijk totaal verschillende kenmerken, zowel wat de thema's betreft, de bouwconstructie, als wat de materialen betreft die dient om de wagen af te werken.

Ook in het zuidelijk deel van Nederland (Brabant en Limburg) wordt intens aan wagenbouw gedaan, die op zijn beurt dan weer verschilt van deze in Vlaanderen. Op sommige plaatsen zoals bijvoorbeeld in Halle wordt hoofdzakelijk gewerkt met polyester, terwijl op andere plaatsen bijvoorbeeld in Nederland gebruik gemaakt wordt van papier-maché om de figuren af te werken.

Hun wagens worden vaak later verkocht of verhuurd aan Carnavalsverenigingen elders of aan verenigingen, die ergens mee willen trekken in een optocht.

Omdat er ook het vlak van de bouw van wagens een zekere achteruitgang is waar te nemen, heeft FEN-Vlaanderen een aantal jaren geleden het initiatief genomen om opleidingsdagen te organiseren in dit domein. Deze opleidingsessies worden gegeven op verschillende plaatsen in Vlaanderen. Allereerst krijgen de geïnteresseerden een theoretische introductie, vervolgens wordt er kennis gemaakt met de verschillende materialen die gebruikt worden bij de bouw van Carnavalwagens. Denken we maar aan kippengaas, staaldraad, polyester, enz... terwijl anderzijds voor het ontwerpen en boetseren van de figuren beroep gedaan wordt op echte klei.

Het ligt voor de hand dat naast de kennis die de lesgever overbrengt, de leerlingen ongetwijfeld over enig talent, en een behoorlijke dosis doorzettingsvermogen dienen te beschikken, om te kunnen slagen.

Kortom, ook hier tracht men er over te waken dat dit ultieme onderdeel van ons Carnavalgebeuren, vooral de bouw van wagens, gestimuleerd wordt.



Hoofdstuk 34, Zaat hermenieke.

Deze mini-muziekgezelschappen worden gevormd door mannen en/of vrouwen die voor hun plezier noten uit instrumenten lokken, hoewel achter beide laatste woorden een vraagteken kan worden geplaatst. De instrumenten bestaan vaak uit afgedankte muziekinstrumenten, terwijl namen als "Mooi vals", "Just er neffe", "Adem zat", ... al enigszins aangeven van welke kwaliteit de noten zijn die uit het "instrumentarium" worden gelokt of geduwd. Voorop staat uiteraard het plezier van het deelnemen.

De geluiden die geproduceerd worden doen vaak denken aan een oerfunctie van de muziek, namelijk het verdrijven van demonen en duivels en juist "disharmonie" in het licht van de omgekeerde wereld ten gehore brengen.

Velen blazen zich uit de naad, trommelen zich de vingers stijf, slaan zich de ledematen blauw of zingen zich de kelen hees. Met een slok en een hap wordt telkens nieuwe inspiratie opgedaan.



Hoofdstuk 35, Zingend langs de deur.

In vroegere tijden - wel in de periode toen de vasten nog een feitelijke onthouding van geneugten, eten en drinken inhield - was het gebruikelijk dat (meestal) kinderen zingend langs de deur trokken met Carnaval. Dit geschiedde met oogmerk om allerlei gaven op te halen. Het ritueel was: aankloppen (later bellen) en als er geopend werd, gaan zingen. Hiervoor hadden de kinderen een bescheiden maar aardig repertoire. Meestal in een mengeling van dialect en Nederlands taalgebruik.

De giften bestonden veelal uit levensmiddelen, zoals eieren, brood en vooral worst. Dit geschenken geven paste bij de vroegere Nieuwjaarsgebruiken. In latere tijden zijn deze gebruiken verwaterd of namen ze vormen aan waardoor de oorspronkelijke gebruiken onduidelijk werden. Uitgereikt werden toen koekjes, snoepgoed, en geld...

Bij deze tochten was het in het verleden zo, dat de kinderen een foekepot bij zich hadden.

De ommegangen van de jeugd hadden bepaald een sociaal of charitatief karakter. De wat minder welstellende kreeg zo de gelegenheid om voordat de vasten begon, nog eenmaal de maag goed te vullen.



Hoofdstuk 36, Carnavalkleuren.

Men kan zich terecht de vraag stellen welke kleuren, en waarom, het meest gangbaar zijn in het bonte schouwspel van ons toch wel erg kleurrijk Carnaval. Om het een en ander hieromtrent te weet te komen hebben we ons oor te luisteren gelegd bij Carnavaloog en vriend Theo Fransen uit Venlo.

Naar zijn zeggen moeten we eerst een aantal eeuwen terug gaan, meer bepaald tot bij de nar in het kasteel. Het gekkengezelschap van Kleve (1381 - Duitsland) droeg de kleuren geel/rood, terwijl in Frankrijk de narren bij voorkeur groen/rood droegen. Zelfs voor 1450 droeg een gezelschap uit het Franse Dyon de kleuren rood, geel en groen. Kleuren hadden vroeger veel meer betekenis dan vandaag, en waren erg belangrijk als communicatiemiddel. Laten we immers niet uit het oog verliezen dat in die tijd de meeste mensen niet konden lezen en schrijven. Dus ging men andere symbolen dan letters gebruiken, namelijk kleuren. De kleurensymboliek van de nar was dus voor de meeste mensen meteen duidelijk.

Heden ten dage vinden we een nar grappig en leuk. Vroeger, namelijk ten tijde van de middeleeuwen, was dat echter anders, omdat de nar in feite zowat de verpersoonlijking van duivel was. Maar hoe kwam de nar eigenlijk aan die kleurencombinatie. Wel in dat verband moet er nagegaan worden welke symbolische waarde elke kleur in zich draagt. De "gele" kleur bijvoorbeeld, staat voor opgewektheid, uitgelatenheid, erotiek, maar ook nijd, terwijl "groen" als positieve kant de jeugdigheid, de vrijmoedigheid, de levensvreugde, de levendigheid, de groei en de bloei vertegenwoordigt, maar aan de andere kant ook staat voor dwaasheid en onervarenheid (denken we maar aan de uitdrukking "een groentje" voor iemand met weinig ervaring).

"Rood" is echter de kleur voor christelijke deugdzaamheid, vurige liefde, ridderlijkheid, maar tevens ook de kleur van de duivel, het vuur, de dood, strijd en oorlog.

Wie nog dieper de geschiedenis induikt, komt in India terecht. Ook daar hebben de kleuren geel, rood en groen een bijzondere betekenis. In hun zogenaamde "torans" de decoratieve stukjes die aan de voordeur moeten hangen om de inwoners geluk te brengen, komen rood, geel en groen telkens terug. Bij de Hindoes staat rood voor trouw aan God of de medemens. Geel betekent wijsheid. Groen heeft te maken met de natuur, de vrolijkheid, en de gezelligheid. Ook de rasta's (denken we maar aan Bob Marley) hebben groen, rood en geel als kleur.

Toch vind je bij sommige Carnavalsverenigingen ook de "blauwe" kleur terug. Waarom? Wel volgens onze Carnavaloog is blauw ook een erg verantwoorde Carnavalskleur. Afgezien van het feit dat sommige verenigingen de blauwe kleur hanteren, omdat dat in het stadswapen verwerkt zit, heeft blauw net als de andere Carnavalskleuren een betekenis die zowel een positieve als een negatieve kant heeft. Enerzijds staat blauw voor Maria en de Hemel (de uitdrukking "hemelsblauw") en anderzijds voor krankzinnigheid.



Hoofdstuk 37, de Nar.

Er mag aangenomen worden dat het ontstaan van de figuur van de nar, samenvalt met het ontstaan van onze beschaving. Vanaf het vroegste begin is de nar gedurende eeuwen de verpersoonlijking van de dwaasheid geweest, want de nar was degene die de werkelijkheid kantelde. Anders gezegd, de nar spiegelt of draait de alledaagse werkelijkheid om, en is tegendraads of taboe doorbrekend. Ze zeggen waarheden die anderen heimelijk denken. Werkelijke dwazen ontbreekt dat vermogen vaak en bewuste dwazen spelen dat onvermogen vaak overdreven uit als spiegel.

Het beeld van de nar wordt vooral gevormd door zijn glorietijd. Deze liep van de middeleeuwen tot de laat zeventiende eeuw. Het standaardbeeld is dat van de nar met narrenkap met belletjes, vrolijke kleuren en te grote schoenen, en de marot of zotskalf, een soort staf. In werkelijkheid droegen sommigen zwerverskleding en weer anderen adellijke gewaden. Ook stellen we de nar vaak voor met een klein misvormd uiterlijk, maar dit klopt lang niet voor allemaal. Er waren grofweg twee soorten narren. De fysisch en geestelijke gehandicapten (de gekken) en de echte dwazen die ingehuurd of ingelijfd werden om te bespotten en zich over te vermaken. Als alles mis ging, waren zij het op wie men kon afreageren, of men kon lachend vaststellen dat het nog erger kon. Daarnaast waren er de intelligente kunstenaars, vol woord of theatrale spitsvondigheid. Zij waren bewust van hun ambt en stonden zo tussen vorst en volk. Zij konden de vorst zeggen wat niemand anders durfde. Een rol die onze hedendaagse tonpraters op een subtiele wijze vertolken.

Uitgaande van het vorige is de energie van de nar veel wezenlijker dan algemeen verondersteld. Net als vroeger staat de nar immers voor ongevormde chaos, energie en levenskracht; mana. De kracht van de nar bevindt zich op metafysisch niveau. "Ze kunnen leven pompen in een verstarde samenleving, maar kunnen, individuen die haar willen misbruiken, ook verbranden". Een ieder die door een grenssituatie heen gaat, kan daarbij in een narrige fase komen, zeker in de ogen van de buitenwereld. In vroeger tijde achtte men dat normaal. Nu wordt ieders mogelijkheid om tijdelijk tot het narrige toe te treden vaak ontkend. Maar wie het narrige toelaat, creëert juist ruimte voor iets nieuws.

Sponsoren

 

Website ad. CHP